De Stentor, 5 november 2010
Door Loek van Voorst
Op het podium een design decor; een bungalow met stationsuitstraling. Op de voorrand een massa theeservies. Enig meubelstuk: een zitzak extra large. De witte leegte van het huis voorspelt sereniteit waarin chaos en drama besloten liggen. Ideaal voor een Ayckbourn voorstelling.Oude vriend Boudewijn heeft zijn vriendin door verdrinking verloren en wordt uitgenodigd eens langs te komen. Immers: vriendin dood, hij is zielig. Dood, verlatingsangst, einde aan relaties zijn de typische ingrediënten voor een tragikomedie van de auteur. Boudewijn (Marcel Hensema) komt in een vriendenkring terecht waar relationele problemen op scherp staan. De bom kan elk moment barsten. Zijn vrolijke verwerking van de dood van zijn vriendin, zijn geluk, zijn betweterige amateurpsychologie drukt het gezelschap nog dieper in de put. “Nou ik heb echt een topmiddag”, zegt Evelien (een in afstandelijke kilheid uitblinkende Anniek Pheifer).
Een tragikomedie is een komedie, geen drama. Regisseur Job Gosschalk heeft dat goed aangevoeld. Waar regisseurs nog wel eens willen kiezen voor het drama in de blijspelen van de beroemde Engelsman, en daarmee de angel uit zijn stukken halen, kiest Gosschalk voor de blijspelkant, zonder de trieste basis te verwaarlozen. Ayckbourn geeft zijn karakters altijd een bepaalde karakterzwakte mee. Gevaar daarvan is dat de karakterisering enkellaags blijft en karikatuur wordt. Bij alle acteurs blijft het mankement geloofwaardig. Ariane Schluter is een door neurose opgevreten Lucy, Betty Schuurman een moederlijke, zorgende Bea met argwaan, Jeroen Spitzenberger de macho versierder Paul met het korte lontje, Jelle de Jong de onrustige John en zelfs de afwezige Olaf is herkenbaar in zijn altijd ziek, zwak en misselijk rol.
Het Nationale Toneel doet recht aan komedieschrijven Alan Aycbourn: een lekker avondje zwarte humor.