Elsevier, zomer 2010
Door Irene Start, interview Jeroen Spitzenberger
‘Nu ik ouder ben, overschreeuw ik mezelf niet meer zo’
Jeroen Spitzenberger (34) werd na de film
Alles is liefde de Nederlandse Hugh Grant genoemd. Toch ontpopte hij zich niet tot meisjesidool, maar tot veelzijdig acteur die toneel, film en televisie handig combineert. En hij is selectief: ‘Ik haat het als ze vragen: “Goh, dat deed je toen zo leuk, kun je dat voor ons herhalen?”.’
‘Ik oog vaak relaxed, maar sta altijd op scherp,’ zegt Jeroen Spitzenberger. De acteur geldt in het vak als ideaal om mee te werken: mooie stem, duidelijke dictie, intelligent en bereid om tot het uiterste te gaan. Tikkeltje streng ook, met een niet-aflatende werkdrift. Als er wordt gefilmd, gaat hij bijvoorbeeld niet bij de catering wat ouwehoeren met andere acteurs, maar zondert hij zich af om geen concentratie te verliezen. Bij televisieopnamen, vaak meer wachten dan spelen, zit hij geregeld met een iPod op zijn hoofd. En wanneer collega-acteurs van Het Nationale Toneel na een première nog even de kroeg induiken, haakt hij af. ‘Ga je nou wéér niet mee,’ doet hij ze na. ‘Maar ik weet: morgen is er weer een voorstelling en die moet even goed zijn.’
Dat Spitzenberger een veelzijdige en hardwerkende acteur is, bleek het afgelopen seizoen nog maar eens: hij stond op het podium in voorstellingen als
Pier Paolo Pasolini –
P.P.P, was op televisie te zien als minister Karel Bijl in de VPRO-comedy
Sorry minister en speelde de biseksuele Thomas in de AVRO-serie
Bloedverwanten.
Het zijn opmerkelijke keuzes, want na hoofdrollen in publieksfilms als
De tweeling (2002, met Thekla Reuten) en
Alles is liefde (2007, met Carice van Houten), had de acteur alles in handen om het nieuwe meisjesidool te worden. Op basis van zijn rol als prins Valentijn werd de acteur zelfs al ‘de Nederlandse Hugh Grant’ genoemd: hij had precies diezelfde uitstraling van een charmante upperclass-jongen die niet meteen alles prijsgeeft. Het liep anders: Spitzenberger koos in 2007 voor een vast dienstverband bij Het Nationale Toneel en combineert serieuze toneelrollen met luchtiger film- en televisiewerk.
Lachband
Een bijzonder carrièrepad? ‘Vind ik niet: ik koos voor Het Nationale Toneel omdat ik het heerlijk vind om deel uit te maken van een ensemble. Het zorgt niet alleen voor een financiële basis, maar ook een artistieke basis. Film en televisie zijn leuk, maar kunnen soms oppervlakkig zijn. Ik heb daar nog niet de helft laten zien van wat ik in het theater kan. Wat film en tv extra lastig maakt, is dat een acteur eigenlijk weinig invloed heeft op het eindresultaat. Dat bleek nog maar eens bij
Sorry minister: ‘Een goed concept, maar het niveau verschilde sterk per aflevering. Sommige waren scherp en grappig, andere flauwer. De VPRO zette er een lachband eronder, onbegrijpelijk. Daarmee haal je je eigen product onderuit.’
De acteur doet het goed, de aanbiedingen blijven binnenstromen. ‘Dat is het
Alles is liefde-effect,’ lacht hij. Selectief is hij wel: ‘ Op
Bloedverwanten zei ik “ja” omdat ik het interessant vond dat Thomas deel uitmaakt van een familie. Mensen vonden het schokkend dat hij met zijn halfzusje naar bed ging, maar ik vond zijn ambivalentie en worsteling met zijn seksualiteit juist interessant.’
Ondanks zijn terughoudendheid is Spitzenbergers agenda goed gevuld. Deze zomer neemt hij de familiefilm
Tony Tien op, in het najaar toert hij met het Nationale Toneel door het land met de komedie
Verre vrienden van Alan Ayckbourn. Niet alleen professioneel gezien gaat het uitstekend, ook privé klopt het plaatje: in 2007 trouwde Spitzenberger met een paar jaar jongere Mexicaanse actrice Olinda Larralde Ortiz. Ze leerden elkaar in Italië kennen, tijdens een workshop commedia dell’arte. ‘ Daar, ergens bij het maskers maken, is het begonnen.’
Het stel heeft een zoontje van een jaar, Milan Joaquin. Het krijgen van een kind heeft hem veranderd: ‘Milan geeft me een groot gevoel van sterfelijkheid. Als ik er niet meer ben, dan zal hij er nog wel zijn en dus iets voortzetten. Als alles in de goede volgorde verloopt tenminste. Op andere vlakken heb ik die drang helemaal niet. Ik wil niets nalaten als ik sterf – zal eerder opgelucht zijn wanneer het ophoudt – maar dat de lijn van de familie doorgaat, vind ik mooi.’
Hij acteert om de lol van het spelen: ‘Acteren is zo bijzonder omdat je de worsteling van een karakter kan laten zien. De ambivalentie, de irrationaliteit die we in het normale leven proberen te onderdrukken.’ Niet dat hij vroeger als jongetje doorhad wat dat was, acteren. De wens acteur te worden, kwam schijnbaar uit het niets. ‘Het gezin waarin ik opgroeide was niet zo cultureel, mijn vader werkte bij een bank, mijn moeder was hoofd administratie bij een gymnasium. Een erg artistiek kind was ik ook al niet. Wel wat solitair, ik zat vaak in mijn eentje te lezen.’
Dat hij wilde acteren, wist hij al snel: ‘Ja, dat was een heel sterk gevoel. Ik verzamelde interviews met acteurs, wist precies wie wat over acteren gezegd had. Mijn eerste theaterervaring had ik aan de jeugdtheaterschool in het Hofpleintheater in Rotterdam. Mijn ouders vonden het goed, ze zagen de aanwezigheid van een zeker talent.’ Ze zaten bij elke première in de zaal. Zijn moeder, die twee jaar geleden overleed, hield plakboeken bij. Waar zijn vader diplomatiek-kritisch kon zijn, was zijn moeder vooral bewonderend: ‘Zij had niet gedacht dat wie voor een dubbeltje geboren was ooit een kwartje kon worden.’
Spitzenberger deed auditie voor verschillende toneelscholen. In plaats van Amsterdam - voor veel aanstormend talent een logische keuze - ging hij naar Arnhem: ‘Dat was heel bewust. Ik vond de sfeer in Amsterdam oppervlakkig en onpersoonlijk. Mensen kwamen meer voor de stad dan voor het vak, je werd al aangenomen als er het vermoeden was van de potentie van talent, om het gecharcheerd te zeggen. Arnhem was volkomen anders: helemaal gericht op het vak, een soort veilige haven waar je fouten mocht maken. Ik vond het heerlijk, als acteur moet je op je bek kunnen gaan. Bij andere toneelscholen zaten de castinigbureaus bij de kerspresentaties al in de zaal om talent te scouten, in Arnhem worden ze juist geweerd omdat mensen nog niet klaar zijn.’
Het vak heeft ontegenzeggelijk zijn trends, vindt Spitzenberger. Er wordt door zijn generatie anders gespeeld dan vroeger. ‘Waar de generatie Ko van Dijk en Eric Schneider een ongelooflijke stembeheersing hadden, is er nu een makkelijke speelcultuur ontstaan. Acteurs hangen soms wat lui in hun mond. Dat komt door de soaps.’ De goede acteurs komen toch nog altijd van de toneelscholen, vindt de acteur. Maar dat betekent niet dat je klaar bent wanneer je afstudeert: ‘Het vak leer je pas in de praktijk, als je uren maakt en veel speelt, liefst onder omstandigheden waarin er veel druk op je ligt.’
Als mid-twintiger deed Spitzenberger aardig wat moeilijke projecten, stond naast grote ego’s en werkte met regisseurs met een enorme staat van dienst: ‘Ik leerde die – excusez le mot - kotsreflex bij opkomst beheersen, leerde me beter concentreren, kan nu ook mijn lichaam inzetten. Ik was nogal een houten plank toen ik op de toneelschool kwam.’ Op toneelgebied ging het al snel goed, al vond hij het intimiderend om rollen te spelen die zijn helden ook hadden gespeeld, al was het twintig jaar geleden: ‘Een Mercutio in Romeo & Julia doen vlak nadat Pierre Bokma die rol heeft gespeeld, brr."
Wat televisie betreft was enige opstarttijd nodig: ‘Televisieopnamen zijn ad hoc, je gaat van moment naar moment. Mijn eerste telefilm deed ik voor de IKON. Ik ben toen erg geholpen door regisseur Eric Oosthoek. Mijn eerste auditie ging goed, mijn tweede beroerd. Juist omdat Eric me graag wilde, nodigde hij me thuis uit en wees precies aan waar ik te veel deed. De belangrijkste les bij televisie blijft toch: minder is beter. Het beeld vertelt en je hoeft verder eigenlijk niet veel te doen.’
Het succes lijkt Spitzenberger nu te komen aanwaaien, maar vlak na het afzwaaien van de toneelschool was hij behoorlijk onzeker. Lid van een generatie of clubje jonge succesvolle acteurs voelde hij zich niet. ‘Ik was meer de outsider.’ Die houding voorkwam niet dat castingbureau’s voor film en televisie Spitzenberger wél als lid van een bepaalde generatie zien. Bij audities waarvoor hij is uitgenodigd, komt hij vaak acteurs als Fedja van Huêt en Jacob Derwig tegen, net als hij aantrekkelijke, donkerharige acteurs met een serieuze uitstraling. ‘We worden kennelijk als dezelfde types gezien. Dat is het nadeel van televisie en film: je wordt vaak gevraagd om iets te doen wat je al eerder deed, een kunstje te herhalen. “Goh, dat deed je toen zo leuk, zou je dat bij ons ook eens willen doen?”. Daar heb ik een hekel aan.’
Hij bewondert Van Huêt en vooral Derwig, de laatste om zijn talent en de keuzes die hij maakt. Concurrenten zijn ze niet, maar ook geen vrienden: ‘Als we elkaar zien, is het leuk en hartelijk, maar het is niet zoals bij de Carices, Nadja’s en Halina’s. Zij kwamen elkaar steeds tegen en gingen gezellig met elkaar theedrinken, mannen hebben dat minder.’
Tegenspelers zijn belangrijk, collega-acteurs kunnen je prestatie maken, maar ook breken: ‘Spelen is lastig met mensen die onder de maat presteren. Wat ik vooral vervelend vind, is als iemand niet consistent is, de ene avond zus en de andere avond zo speelt – nee, namen noem ik niet.’
Afzijdig
Het omgekeerde kan ook, dat je heel leuk contact hebt met een collega-acteur: ‘Dat was bijvoorbeeld zo met Carice op de set van Alles is liefde. Ze is nuchter, eigengereid en goed in alles wat ze doet. Ik heb haar natuurlijk maar tien draaidagen meegemaakt. Ik hou me altijd een tikkeltje afzijdig, ik had het idee dat zij zich op eenzelfde manier concentreerde: koptelefoon met muziek op, weg van iedereen.’
Acteurs worden nogal eens als lege huls gezien, een cliché die wat Spitzenberger betreft niet opgaat: hij heeft duidelijke en sterke meningen, steekt ze tijdens het repetitieproces ook niet onder stoelen of banken. ‘In zekere zin is iedere acteur een lege huls, hij vult zich met andere gedachten en zienswijzen. Dat kan heel aangenaam zijn overigens. Maar je kunt natuurlijk niet om jezelf heen.’
Zijn meest recente rol was ook meteen zijn zwaarste: die van de Italiaanse cineast Pier Paolo Pasolini, die in 1975 door een schandknaap werd vermoord. ‘Pasolini was een emotionele rol. Hij was een heftige man, die heftig leefde en heftig werk maakte, vol verwijzingen naar dood en seks. Het was iemand van alles of niets, hij had een agressie in zijn seksualiteit die me vreemd is. Er zijn weinig dingen die we delen. Om hem inzichtelijk te spelen, moest ik me enorm inleven.’
Hoe haalt een regisseur het beste uit Spitzenberger? ‘Om heel eerlijk te zijn doe ik het allemaal zelf. Een regisseur kan zorgen voor nuanceverschillen, dat is alles.’ De acteur heeft heel wat verschillende type regisseurs meegemaakt, van mensen die hem compleet vrij lieten tot extreem strakke. ‘Als je me vraagt wat ik liever heb, ben ik geneigd te zeggen “streng”, omdat ik er beter van word. Ik kan me totaal overleveren aan een regisseur, maar mijn trots is ook nogal totaal. Ergens in het repetitieproces word ik altijd boos en vind ik dat het allemaal anders moet. Dat heeft te maken met mijn persoonlijkheid, maar zeker ook met de kwetsbaarheid van dit vak.’
Dat Pasolini spelen hem goed afging – in recensies werd Spitzenberger om zijn prestatie de hemel in geprezen – is niet alleen te danken aan speelervaring of hard werken, het komt ook gewoon doordat hij ouder is geworden: ‘Daar word je stabieler van en steviger in je mening. Je gaat als acteur ook meer de nuance zien in karakters. Vroeger was ik ongeduldig en soms ineens ongeremd, nu overschreeuw ik mezelf niet meer zo, gelukkig.’