Inhoud Over Dieren
Ik dien dus ik ben (door Marit Grimstad Eggen)
Biografie Elfriede Jelinek
Elfriede Jelinek - Alles moet kapot (door Costiaan Mesu)
Nobelprijs voor de Literatuur 2004
Afluistertapes in Falter Magazine
Links Elfriede Jelinek
Filmpjes Elfriede Jelinek
Over Dieren
Jelineks tekst Over Dieren heeft veel stof doen opwaaien, mede doordat de tekst gedeeltelijk gebaseerd is op afluistertapes die de Oostenrijkse politie maakte van een escortbureau dat verdacht werd van vrouwenhandel.
Over Dieren begint met een vrouw alleen. Ze spreekt tegen haar geliefde, een man die we niet zien. Ze verlangt naar Dé Liefde die misschien wel Alles zin kan geven. Ze vraagt zichzelf en ons: ‘Zal hij willen, zal hij niet willen? Is uitkleden gewenst of wordt daar deze keer niet voor gekozen?’
Later horen we de gesprekken met de klanten bij het escortbureau. ‘Is anale seks zonder condoom inbegrepen of heeft dat een meerprijs? ‘Hij wil de maagd neuken in bijzijn van haar zus’ ‘Heeft u ook een extreem grote boezem in dienst?’ De vrouwen zelf hebben nauwelijks een stem, ze hebben enkel marktwaarde.
Over Dieren laat de marktwerking achter liefde en lust zien. Wat zijn de gelijkenissen en verschillen tussen de eerste vrouw en de hoeren? Is liefde iets anders dan prostitutie? En wie ben je, als niemand je gebruikt?
“Die meid was shit. Shit, shit, shit! Die heeft me een keer gepijpt en toen was ze de hele nacht misselijk. De volgende ochtend heeft ze in bed gekotst.”
Ik dien dus ik ben
“Ik ben het niet meer zelf die spreekt, de taal sleurt mij achter zich aan”, zegt Elfriede Jelinek over haar teksten. Op het eerste gezicht is de toneeltekst van Over Dieren (Uber Tiere) een vloedgolf van woorden. Er zijn geen rollen, geen alinea's, geen adempauzes, alleen heel veel woorden waar je bijna in verdrinkt. En dan ontdek je een stem. Een hele duidelijke stem stijgt op uit de woordenvloed. Ook al weet je niet wie er spreekt, iets waar Jelinek ons ook herhaaldelijk op attendeert in de tekst, je hoort wel een stem. De stem van een vrouw, waarschijnlijk een wat oudere vrouw, die spreekt tegen een geliefde die haar niet wil. Niet wil liefhebben, niet wil gebruiken. Bij Jelinek is het allemaal hetzelfde. Dan verdwijnt deze stem en wordt haar plaats ingenomen door andere stemmen. Hier zijn voornamelijk mannen aan het woord. Klanten, pooiers en af en toe een hoer. De teksten zijn heel expliciet en komen grotendeels direct uit opnames gemaakt door de politie van telefoongesprekken tussen klanten en escortbureau's in Wenen. De klanten zijn onder andere politici en andere hoogwaardigheidsbekleders, die jonge meisjes bestellen. Jonge meisjes die met beloftes van een beter leven naar Oosterrijk zijn gelokt. Als lezer – of toeschouwer – is het in eerste instantie de grote vraag wat deze twee delen met elkaar te maken hebben.
De woorden:“Ik weet niet wie er spreekt” worden steeds herhaald in de tekst. Achter deze woorden schuilt de gedachte dat het idee van een individu met een stem een illusie is. Want Jelinek trekt ons hele wereldbeeld in twijfel, schudt het door elkaar en gooit het geweldadig terug. Alles waar we in geloven: liefde, religie, individualisme, voor haar zijn het allemaal illusies, sprookjes die we onszelf wijsmaken om het leven draaglijk te maken.
Het wereldbeeld dat Jelinek ons presenteert is pikzwart. Dat wordt vaak als moeilijk ervaren door lezers en toeschouwers. Waarom geen sprankje hoop, vragen veel mensen zich af. Het antwoord is, dat dat er, volgens Jelinek, niet is. Jelinek zet zich af tegen alle soorten machtsverhoudingen. Alleen in een utopische wereld zonder machtsverhoudingen zou het anders kunnen. Daarom doet ze wat ze kan: ze confronteert ons keihard met haar kijk op onze wereld.
Er is natuurlijk geen ontsnappen aan de machtsverhoudingen in onze maatschappij. De wereld die wij hebben gemaakt zit nu eenmaal zo in elkaar dat deze zonder machtsverhoudingen niet zou kunnen bestaan. Waar het vooral om gaat in Over Dieren is natuurlijk de verhouding tussen man en vrouw. In de teksten van Jelinek zijn de mannen als mensen nauwelijks aanwezig. Zij zijn slechts de potentaten die de waarde van een vrouw bepalen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de man helemaal niet aanwezig is, maar slechts de mannelijk blik. De blik die de waarde van de vrouw bepaalt. De aanwezige mannen beoordelen en kopen vrouwen alsof het pizza’s zijn: “Heeft u er geen met grotere joekels?”, “Doet ze ook pijpen zonder met hoogtepunt in de mond”, “Dus erop spuiten en zo is ook inbegrepen?”
De zwartgalligheid van Jelinek roept veel weerstand op. Een vraag die vaak gesteld wordt in verband met haar teksten is: hebben we het feminisme nog nodig? De meeste vrouwen hebben tegenwoordig het gevoel op gelijke voet te staan met de man en dat ze de vrijheid hebben om te kunnen doen wat ze willen. Tot op zekere hoogte is dat natuurlijk ook waar. Over de verschillen in loon en andere vormen van discriminatie die nog steeds bestaan willen we het liever niet hebben. Feminisme is saai en niet van deze tijd. Jonge vrouwen zijn tegenwoordig niet bezig met vechten voor gelijke rechten, maar met het leiden van een leven zoals zij dat willen, want die vrijheid hebben ze toch?
Tegenwoordig zijn vrije vrouwen te vinden in stripclubs en op andere plekken die vroeger het domein van de man waren. Vrouwen doen vrijwillig en met veel plezier mee aan activiteiten die vroeger gelijk stonden aan de onderdrukking van de vrouw. Plastische chirurgie van alle delen van het vrouwelijke lichaam is hier een andere uiting van. Het lijkt wel, vooral in de VS, alsof het zijn van een Playboy-bunny het hoogste is dat je kunt bereiken. Vrouwen hebben de mannenwereld ingenomen, maar gek genoeg niet veranderd. Zij zijn nog altijd de objecten in dit verhaal. Hoezo is dit emancipatie, vraagt Ariel Levy zich af in het boek Female Chauvinist Pigs. Waarom denken we dat we als vrouwen sterk worden door mee te doen aan activiteiten die bedoeld zijn om mannen op te winden en vrouwen reduceren tot (lust)objecten?
Onderzoekster Helen Ackel beschrijft in haar tekst Sprechen ohne sein (Spreken zonder zijn) hoe Jelinek in Over Dieren met Heideggers Sein und Zeit (Zijn en Tijd) speelt. Dit boek, dat in 1927 verscheen, is Heideggers belangrijkste werk waarin hij de - vanwege de dood - fundamentele rol van de tijdelijkheid van het menselijk bestaan onderzoekt. Heidegger houdt zich niet bezig met de mensheid, maar met de individuele existentie. Hij vermijdt het woord “mens” en gebruikt in plaats daarvan de term “het zijnde” dat in een “begrijpende verhouding tot zijn eigen zijn” staat. Heidegger noemt dit aspect van het mens-zijn een “Erzijn” (“Dasein”). Dit houdt in dat een mens zich bewust verhoudt tot zijn/haar wereld. Een object heeft geen “Erzijn”. Het bestaat wel, maar “is er niet” in de zin dat het zich niet bewust is van zijn eigen positie in de wereld en zijn eigen bestaan.
Wanneer Heidegger het over “de wereld” heeft bedoelt hij de wereld van een bepaald individu, dus de omgeving van een mens zoals die betekenis voor deze bepaalde persoon heeft. Het is de verhouding van een individu tot een object die het object betekenis geeft. Zo heeft bijvoorbeeld de lamp van een vuurtoren een totaal andere betekenis voor een visser dan voor een toerist. De objecten krijgen betekenis door hoe we ze kunnen gebruiken en hebben dus in plaats van een erzijn een voorhanden zijn waardoor we ze kunnen begrijpen. Wanneer bijvoorbeeld iemand die nooit een hamer heeft gezien vraagt wat het is, dan kunnen we die vraag het beste beantwoordem door uit te leggen hoe de hamer gebruikt kan worden en andere objecten erbij betrekken zoals spijkers en hout. Om de hamer zin te geven moet er dus bij verteld worden wat mensen bouwen en hoe ze leven.
In objecten zien mensen de potentie van hun toekomstige bestaan. Ze maken van de objecten gebruik om hun wereld te creëren. Door de bewuste Erzijn-verhouding met de wereld om je heen kun je vooruit kijken en je eigen toekomst creëren met de keuzes die je maakt. Alle objecten in je wereld kunnen je helpen door voorhanden te zijn- in de realisatie van jezelf als bestaand wezen. Dit bewustzijn maakt je volgens Heidegger vrij, niet van deze wereld, maar wel in deze wereld. Je hebt de wereld nodig en bent één geheel met de wereld. Alleen wanneer je in staat ben om deze eenheid met de wereld te bereiken, zul je je “thuis” voelen in de wereld, vertrouwd zijn met de wereld.
Bovenstaande termen en theorie komen in verschillende vormen steeds terug in Over Dieren. De vrouw in het eerste deel omschrijft zichzelf als een object dat voorhanden is zonder gebruikt te worden. “Waarom gebruik je mij dan niet?” , “Waarom bedien je je niet van mij?” vraagt ze steeds. Ik ben er toch: geef mij betekenis. Gebruikt worden is de enige manier waarop haar bestaan betekenis kan krijgen. “Ik dien dus ik ben”.
De vrouw wil dienen, wil als object in gebruik genomen worden. Of moet ze dat? In Jelineks ogen heb je als vrouw enkel de keuze tussen gebruikt worden, dus een instrument te zijn, of helemaal niet zijn. Eigenlijk is er dus geen keuze: je kunt als vrouw alleen hopen op het in gebruik genomen worden. Zo niet, dan besta je eigenlijk niet, dan ben je een zinloos object, een object zonder betekenis. Wanneer de vrouw geen subject kan zijn, geen ‘Erzijn’ kan hebben, alleen een ‘voorhanden-zijn’, zal de vrouw altijd afhankelijk zijn van de man, van iemand die ervoor kiest haar te gebruiken. Zo bepalen de wensen van de man het zijn van de vrouw.
Door de machtsverhoudingen in onze maatschappij, waarin de mannelijke blik het zwaarste telt, kan ook de liefde hier niet aan ontsnappen. Zo komen de twee, in eerste instantie zo verschillende, delen, van ‘Over Dieren’ bij elkaar. Want als een vrouw altijd een object is, altijd afhankelijk van de wensen van de man, is er eigenlijk ook geen verschil tussen liefde een prostitutie. Jelinek stelt dit niet als een vraag, ze stelt het vast: “De vrouwen in het tweede gedeelte worden verkocht, maar de vrouw in het eerste gedeelte is evengoed verkocht alleen weet zij het zelf niet”. Als we de stelling van Heidegger zoals Jelinek deze gebruikt doortrekken wordt het onmogelijk voor een vrouw zich bewust te zijn van haar situatie. Omdat ze geen subject is en dus niet in een verstandelijke verhouding tot de wereld om zich heen kan staan. Dat spreekt de tekst natuurlijk tegen: de vrouw is zich zeer bewust van haar eigen positie als object.
Jelinek stelt vast dat de vrouw in het eerste gedeelte nog minder waard is dan de hoeren omdat zij niet eens gebruikt wordt. Zij is een voorwerp, maar een nutteloos voorwerp , een voorwerp dat niet in gebruik genomen wordt. In Heidegger termen heeft ze dus niet eens een voorhanden-zijn, zoals een hamer, laat staan een Erzijn. Deze dingen stelt Jelinek vast. Ze smijt het in ons gezicht, de harde waarheid , de wereld volgens haar.
Het is moeilijk neutraal te blijven ten opzichte van dit soort stellingen. Het huidige beeld van de in veel opzichten vrijgevochten vrouw, waar Ariel Levy het over heeft, lijkt Jelinek in eerste instantie tegen te spreken. Kunnen vrouwen, door vrijwillig en met een glimlach deel te nemen aan alle activiteiten die symbool staan voor vrouwenonderdrukking – porno, striptease, prostitutie – deze verschijnselen onschadelijk maken? Of bevestigen ze daarmee juist dat ze objecten zijn, dat ze zich vrijwillig onderwerpen aan de mannelijke blik en dat ze zich neerleggen bij een systeem waarin ze nooit iets anders kunnen worden?
- Marit Grimstad Eggen
Biografie Elfriede Jelinek
Elfriede Jelinek wordt op 20 oktober 1946 geboren in het stadje Mürzzuschlag in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken. Haar moeder is boekhoudster, haar vader chemicus. Haar Joodse vader ontsnapte tijdens de Tweede Wereldoorlog aan vervolging door de nationaal-socialisten dankzij zijn inzetbaarheid in de oorlogsindustrie. In de jaren '50 raakt hij psychisch ernstig ziek. Hij wordt door zijn vrouw thuis verpleegd.
Elfriede wordt daarom naar een kloosterinternaat in Wenen gestuurd, waar het gezin ondertussen is gaan wonen. Ze gedijt slecht onder de beperkingen van de nonnenschool. Haar vrijheidsdrang brengt de nonnen ertoe haar onder toezicht van een kinderpsychiater te plaatsen.
Onder invloed van haar moeder groeit ze uit tot een muzikaal wonderkind dat piano, gitaar, blokfluit en viool speelt. Op haar dertiende wordt ze aangenomen op het conservatorium van Wenen, hetgeen ze combineert met haar gymnasiumopleiding. Na haar eindexamen volgt haar eerste psychische instorting. Ze is nog maar net begonnen aan een studie kunstgeschiedenis en theaterwetenschap wanneer ze die wegens panische angstaanvallen weer neer moet leggen. Elfriede brengt een jaar lang in volledige isolatie thuis door. In die periode begint ze te schrijven. Haar eerste gedichten worden afgedrukt in enkele literaire tijdschriften.
Na de dood van haar vader in 1969 herpakt Elfriede zich. Ze verkeert in de kringen van revolutionaire 68ers en leeft enige maanden in een woongemeenschap. In 1974 wordt ze lid van de Communistische Partij Oostenrijk (KPÖ), neemt ze deel aan de verkiezingstrijd en culturele demonstraties. In datzelfde jaar trouwt ze met Gottfried Hüngsberg, die in die tijd muziek componeert voor de films van Rainer Werner Fassbinder. Sinds haar huwelijk woont Elfriede Jelinek afwisselend in Wenen en München.
Elfriede Jelinek's grote literaire doorbraak vindt plaats in 1975 met de roman ‘Die Liebhaberinnen’ ('Liefhebben'). In de jaren '80 volgt ‘Die Ausgesperrten’ ('De uitgeslotenen'), dat verfilmd wordt. In beide romans treden haar marxistische ideeën en haar haatliefde verhouding met de media al sterk op de voorgrond. Ook uit ze al sterke kritiek op het nationalistische karakter van haar landgenoten. Daarmee begint haar reputatie van nestbevuiler. In 1989 komt 'Lust' uit - Jelineks best verkopende roman tot nu toe. Haar scherpe analyse van paternalistische, seksuele machtsverhoudingen wordt door recensenten afgedaan als "vrouwenporno". De roman wordt een schandaal. Daarmee lijkt de toon in Oostenrijk definitief gezet. Elfriede Jelinek doet geen enkele moeite het Oostenrijkse publiek opnieuw voor zich te winnen.
Wanneer haar toneelstuk ‘Raststätte’ eveneens op een vijandige ontvangst stuit en ze tegelijkertijd persoonlijk aangevallen wordt op de verkiezingsposters van de extreemrechtse FPÖ van Jörg Haider, besluit ze zich in 1995 terug te trekken uit het Oostenrijkse openbare leven. Om dit kracht bij te zetten vaardigt ze een opvoeringverbod uit voor haar toneelstukken, net zoals de toneelauteur Thomas Bernhard eerder deed. In 1998 heft ze het opvoeringverbod op om het nog geen twee jaar later opnieuw in te voeren wanneer de FPÖ in de regering komt. In 2003 geeft ze haar protest op en gaat haar meest bejubelde toneelstuk 'Das Werk' in het Burgtheater in première. Elfriede Jelinek treedt opnieuw in de openbaarheid en niet zonder succes.
In 2004 krijgt ze de Nobelprijs voor Literatuur toegekend, vanwege de "muzikale stroom van stemmen en tegenstemmen in haar romans en toneelstukken die met een buitengewoon taalkundige geestdrift de absurditeit van de maatschappelijke clichés en hun ondermijnende kracht blootleggen". De prijs van ruim 1 miljoen euro haalt ze niet zelf op: "Helaas lijd ik aan een sociale fobie. Mensen doen pijn".
In datzelfde jaar wordt het Elfriede Jelinek Onderzoekscentrum opgericht, een onderdeel van de faculteit Germanistiek van de Universiteit van Wenen. Daar worden de elf romans, eenentwintig toneelstukken, drie libretti, drie filmscripts, twee dichtbundels en de negentien vertalingen die ze intussen heeft gemaakt, onderzocht. Daarmee lijkt haar reputatie als auteur - ondanks of dankzij alle controverse - definitief gevestigd.
ELFRIEDE JELINEK - ALLES MOET KAPOT!
door Costiaan Mesu
Laten we er geen doekjes om winden: Elfriede Jelinek schrijft uit haat. Een diepgewortelde haat tegen de machthebbers in een door mannen gedomineerde, kapitalistische, nationalistische, consumptiemaatschappij. Jelineks werk is een terroristische aanslag gericht op de machtsstructuren, die diep verankerd zitten in taal, denkbeelden, cultuur en media. Jelineks schrijven is een poging tot verzet tegen het dominante systeem, waarin zwakkeren in de maatschappelijke hiërarchie gemarginaliseerd worden.
Al schrijvende neemt Jelinek telkens een of meerdere denkbeelden van de moderne maatschappij onder vuur. Haar vertrekpunt kan een krantenartikel zijn, een televisieprogramma, een verkiezingsuitslag. Alles waar zij zich op dat moment over opwindt. Daaromheen verzamelt zij materiaal. Zoals een D.J. geluidssamples zoekt, zoekt zij naar O-tonen - "Oorspronkelijke Spraak Tonen". Dat zijn tekstfragmenten die overal vandaan kunnen komen: geschiedenis, mythologie, politiek, actualiteit en haar eigen gedachtewereld. Al schrijvende is Jelinek continue in een heftige discussie met dit materiaal en zichzelf. Alles begint bij de eerste zin. Die roept een dermate heftige reactie bij haar op, dat ze die wel moet tegenspreken, becommentariëren of nuanceren. Deze explosie van gedachten geeft zij vorm op het papier.
Het resultaat is al even explosief als het schrijfproces. Wie zijn ogen over de bladzijden van een roman of toneeltekst van Jelinek laat glijden wordt overspoeld door woorden, woorden en nog eens woorden. In de meest extreme gevallen zonder hoofdpersoon, zonder rolverdeling, zonder interpunctie, zonder witregels, zonder regeleinden. Wie ondanks de intimiderende bladspiegel begint te lezen en een rationeel betoog verwacht raakt al vlug het spoor bijster. Stemmen doemen op uit de tekst, de zinnen stapelen zich op, rollen over elkaar heen en al snel dringt de vraag zich op: wie spreekt hier eigenlijk?
Omdat Jelinek met haar O-Tonen zoveel stemmen uit massamedia en literatuurgeschiedenis aan bod laat komen, valt nauwelijks meer te beweren dat het Jelinek is die spreekt. Al horen we haar stem soms overduidelijk boven de kakofonie uit komen. Het enige dat we met enige zekerheid kunnen vaststellen is dat het Jelinek is, die de constructie gemaakt heeft. Zij is het die structuur aangebracht heeft en keuzes gemaakt heeft om haar mening weer te geven en die vervolgens zelf genadeloos onderuit te halen. Als lezer of toeschouwer zijn we getuige van een gevecht van de auteur met zichzelf en de wereld.
Haar gevecht met de wereld speelt zich vooral af in de taal. Daarmee valt zij dominante denkbeelden aan die de maatschappij beheersen. Dat doet zij door de taal van de machtigen te neutraliseren of belachelijk te maken. Het simpelweg tientallen keren herhalen van dezelfde zin, kan het diepste filosofische inzicht terugbrengen tot het niveau van een onnozel kinderrijmpje, of kan omgekeerd juist een diepe waarheid laten zien achter een schijnbaar onbeduidende zin. Jelinek ontrafelt zo de logica van het machtsinstrument en voert ze tot in absurdum door. Door verschuivingen, citaten en verveelvuldigingen wordt de werking van systemen van macht, media, religie en psychoanalyse ontmaskert als een moordzuchtige ideologische constructie. Daarmee verliezen deze systemen automatisch hun absolute aanspraak op de waarheid. Als publiek worden we aan het twijfelen gebracht over het waarheidsgehalte van elke bewering. We worden aan het denken gezet over het gemak waarmee we ontoelaatbare uitspraken tolereren.
De constructie van verschrikkelijke overdrijvingen, schrijnende tegenstellingen en verontrustende omkeringen gaat paradoxaal genoeg gepaard met veel humor. Als een willekeurige man voor de zoveelste keer zegt: 'waar zijn die hoeren' gaat dat onvermijdelijk gepaard met een lach. Als een vrouw vervolgens dezelfde tekst gebruikt, volgt een nog hardere lach. Toch is dit geen milde humor. Het is een lach van schaamte. Een lach die een inzicht demonstreert, namelijk hoe belachelijk denigrerend en fallocentrisch de geciteerde tekst is.
Op die manier gaat Jelinek het gevecht aan met de maatschappij die deze opmerking tolereert en daarmee mogelijk maakt. Jelinek ontdoet de taal van haar vijanden van zijn kracht. Een botsing tussen verschillende taalfragmenten, is bij haar altijd een botsing tussen verschillende posities in de wereld. Als schrijfster is zij in staat kracht te geven aan de taal van de zwakkeren en om de taal van de macht te verzwakken tot krampachtig gespartel. Alleen in de taal heeft Jelinek absolute macht over het gesprokene en daarmee dus over een stukje van de wereld. In haar eigen woorden: "Taal is van oudsher een middel om de werkelijkheid te bezweren. Denk maar aan toverspreuken. Wat je uit kunt spreken, daarvoor hoef je niet bang te zijn. Achter mijn manische behoefte om alles in taal te veranderen, zit ongetwijfeld een kinderlijke almachtsfantasie"
In gevecht met regisseurs en acteurs geeft die almachtsfantasie zich pas goed bloot. Met haar toneelwerk vecht Jelinek namelijk zowel met bovengenoemde abstracte denkbeelden, als met de fysieke aanwezigheid van het menselijk lichaam. Het simpele feit dat acteurs geacht worden de teksten uit te spreken voegt per definitie een beeld toe aan de taal. Degene die spreekt, geeft een beeld af, dat zich hecht aan het spreken. Jelinek verzet zich daartegen door deze hechting bijna onmogelijk te maken.
Acteurs zijn voor Jelinek dan ook niet meer dan kapstokken voor het spreken. Ze zijn het medium, klankkasten, resonantielichamen, televisietoestellen die de spraak van Jelinek moeten bezorgen. Jelineks poogt zich met haar toneelteksten los te maken van het lichaam dat spreekt. Teksten vallen nooit eenduidig terug te brengen tot personages. Innerlijke werelden worden klakkeloos uitgesproken, waardoor er voor een acteur nauwelijks ruimte overblijft zelf invulling te geven aan een personage. De veelheid aan citaten en opmerkingen maken het publiek continue bewust van de constructie en halen daarmee de illusie van het theater onderuit.
Regisseur en acteurs staan dus voor de moeilijke taak een tekst te verbeelden die zich liever niet laat verbeelden. Dat leidt tot vondsten waarbij de acteurs niet eens opkomen, maar de tekst vanuit de coulissen scanderen. Of de schrijfster wordt een hak gezet in het door haar uitgelokte machtsspel met acteurs die zich verkleden als Jelinek, inclusief felrode pruik. Of Jelinek wordt als sprekende persoon aangeduid door haar overduidelijk te citeren of bronvermelding te geven bij door haar gebruikte citaten. Zo wordt duidelijk dat Jelinek zich op het toneel vooral verzet tegen belichaming – of eigenlijk het lichaam zelf.
Jelinek spreekt graag uit dat zij zich verzet tegen het vaststellen van een identiteit volgens het geldende machtssysteem. "Het is een truc van een grote markt om de mensen wijs te maken dat zij een eenmalige, niet inwisselbare instantie zijn, die individualistisch handelen kan. Dat is een illusie, het systeem is intussen zo gesloten, dat niemand zich er aan onttrekken kan. Dat niemand meer weet, wie hij is, wat zijn individualiteit inhoudt." Daarom wil zij de acteurs beroven van hun personage, maar ook van hun eigen Ik. Daarom staat zij ook haar romanpersonages geen individueel Ik toe. Figuren van Jelinek zijn van alles, maar geen Ik. Op het toneel wordt dat duidelijk door de strijd met de sterkste identiteitsdrager die er is: het menselijk lichaam.
Meer nog dan de taal - waarvan Jelinek zich zo vaardig bedient - is het lichaam verbonden aan een identiteit. Een identiteit die de positie in de hiërarchie van het machtssysteem bepaalt. Taal is zeker een krachtige manier om identiteit uit te dragen: we zijn gewend dat het lichaam zich kenbaar maakt door de spraak: "Ik ben...", "Ik wil" - maar de context is altijd het lichaam dat spreekt. In het middelpunt van de wereld staat altijd de autonome, lichamelijke identiteit van het subject. Het eeuwig menselijke dat de acteurs belichamen, niet de schrijfster.
Dat verklaart ook misschien de haat en vooral de zelfhaat die Jelinek tentoonspreidt in haar werk. Haat komt voort uit onmacht. In het geval van Jelinek de onmacht van de schrijfster om uitsluitend te bestaan in haar taal. In essentie is zij net als haar spraakfiguren. “Iemand die niet aangewezen is te spreken, en daarom ononderbroken spreekt, om zo te zeggen op de wereld te zijn. Niet: ‘ik denk, dus ik besta’, maar: ‘ik spreek, dus ik besta’. Misschien dat de figuren simpelweg bang zijn verloren te gaan, als zij niet ononderbroken spreken." Misschien geldt hetzelfde voor de schrijfster.
Nobelprijs voor de Literatuur 2004
In 2004 kreeg Elfriede Jelinek de Nobelprijs voor Literatuur toegekend. Voor de 'muzikale stroom van stemmen en tegenstemmen in haar romans en toneelstukken, die met een buitengewoon taalkundige geestdrift de absurditeit van de maatschappelijke clichés en hun onderwerpende kracht blootleggen'. Jelinek kon vanwege haar sociale fobie zelf niet aanwezig zijn om de prijs op te halen. Daarom nam ze een acceptatiespeech op, op video. Klik hier voor de tekst en video
Afluistertapes in Falter Magazine
Voor Over Dieren liet Elfriede Jelinek zich inspireren door afluistertapes van de Weense politie, die een escortbureau in de gaten hield dat zich specialiseerde in illegale, minderjarige prostituees. Naar aanleiding daarvan verschenen drie artikelen in het Oostenrijkse tijdschrift Falter. Jelinek nam contact op met de journalist en verkreeg de volledige tapes. Onderstaande links leiden u naar de oorspronkelijke artikelen in Falter. Hier kunt u in geuren en kleuren lezen, hoe rijke, invloedrijke mannen meisjes bestellen alsof het pizza's zijn:

Falter 34 / 2005, Einfach hinklatschen

Falter 35 / 2005, Ich speib mich an

Falter 36 / 2005, Mit Vollendung?
Links
onderzoekscentrum www.elfriede-jelinek-forschungszentrum.com
Jelineks Homepage www.elfriedejelinek.com
Filmpjes Elfriede Jelinek
Video over Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek
Arnon Grunberg heeft ooit voor het televisieprogramma R.A.M. een exclusief interview gehouden met Elfriede Jelinek. Klik hier
Interview Elfriede Jelinek (youtube):
deel 1
deel 2
deel 3
deel 4
deel 5
Nobeltoespraak Elfriede Jelinek