Gedreven door trots (of zorg) voor het vaderland en de zucht uit te blinken in hun vak tasten Niels Bohr (Bram van der Vlugt) en Werner Heisenberg (Stefan de Walle) de grenzen van de menselijke moraal af. Is een atoombom een verwerpelijk wapen, een noodzakelijke bescherming of toch vooral een teken van natuurkundige suprematie?
In het toneelstuk kijken de inmiddels allang overleden Heisenberg, Bohr en zijn vrouw terug op de bizarre reis die Heisenberg in 1941 naar bezet Kopenhagen maakte, naar zijn oude (joodse) leermeester en collega Bohr. Wat er besproken is, is nooit duidelijk geworden, maar vast staat dat na die dag de vriendschap tussen de twee voorgoed over was. Bohr wijkt in 1943 uit naar Amerika, werkt mee aan het Manhattanproject en levert zo “een bescheiden maar nuttige bijdrage aan de dood van honderdduizenden mensen.” Heisenberg keert terug naar Duitsland om vergeefs verder te werken aan de bom. Hij maakte een cruciale fout in de berekening van de benodigde kritische massa en “slaagt er daardoor niet in een bijdrage te leveren aan de dood van ook maar één mens.”
De weg naar de bom is uiteraard een quantummechanische, maar in Kopenhagen laat schrijver Michael Frayn de quantummechanica ook toe in het macroscopische. De ontmoeting tussen Bohr en Heisenberg wordt gepresenteerd als een botsing tussen twee atomen die nooit precies te reconstrueren zal zijn: een black box waar je alleen om heen kunt draaien. Wat is er gezegd? Waarom werd Bohr zo boos? Wat wilde Heisenberg? Bohr beschermen? Advies vragen? Kijken hoever de geallieerden waren? Domweg indruk maken als grote Arische professor? En wat was er gebeurd als Bohr in 1941 begrepen had welke elementaire denkfout Heisenberg toen maakte? Heisenberg, Bohr en zijn vrouw proberen driemaal de geschiedenis te doorgronden maar ze krijgen de quantummechanische deken van onzekerheid, van missende informatie, niet meer van de gebeurtenissen af. Daarnaast is er de “complementariteit” tussen de jonge snelle denker Heisenberg, voor wie de natuurkunde af is als de wiskunde werkt, en de bedaarde, ietwat paternaliserende Bohr die iets pas echt denkt te begrijpen als hij het in gewone woorden aan zijn vrouw Margarethe kan uitleggen. De rol van Margarethe (Liz Snoijink) gaat overigens een stuk verder dan dat: zij is de kritische luisteraar die beiden op hun interpretatiefouten wijst, zij is het die de dialoog mogelijk maakt.
Zelf heb ik meestal nogal een hekel aan mensen die de schoonheid van de natuur, of de woestheid graag totaal uit hun verband willen rukken om er hun eigen karretje mee te versieren, maar Kopenhagen zou ik aan iedereen aan willen raden, en zeker aan natuurkundestudenten. Het stuk drijft op de dialoog: soms snel en spitsvondig, soms zoekend en twijfelend, maar de taal is altijd vol. Dit is geen toneel waarbij de passie de zaal in klotst, dit is een intellectuele zoektocht. Het decor is functioneel, bijna kil en zuigt zo de aandacht naar de drie sprekers. Licht dient puur om de spreker te accentueren. Het is het subtiele spel dat de zaal vult. We kijken naar Bohr en naar Heisenberg, twee van de grootste geesten van de twintigste eeuw in een ontmoeting die die eeuw gekleurd heeft, en net zo goed anders had kunnen kleuren. Want zo werkt het nou eenmaal in quantummechanica.