Interview Kopenhagen
Den Haag Centraal, vrijdag 17 augustus
Door Bert Jansma
BRAM VAN DER VLUGT
“Ik ben een bruikbaar type, een nette man”.
In zijn rol als de kerngeleerde Niels Bohr in Michael Frayns stuk ‘Kopenhagen’ vierde hij in mei dit jaar zijn 75ste verjaardag. Een schitterende rol waarvoor hij de hoogste Nederlandse toneelonderscheiding keeg, de Louis d’Or. Er was zoveel belangstelling voor dit menselijk drama van twee wetenschappers dat Het Nationale Toneel het terugbrengt in de Koninklijke Schouwbug. “Mijn schouwburg”, zegt acteur Bram van der Vlugt. “Want hier ben ik verliefd geworden op toneel”.
“Ik wilde erbij horen”, herinnert Bram van der Vlugt zich van dat allereerste begin in Den Haag. “Ik was een jongen van 13, 14 jaar, zat nog op het Nederlands Lyceum en ik ging naar alles kijken in de Koninklijke Schouwburg. Vaak hetzelfde stuk tweemaal. Ik vond het zo magisch: Cees Laseur, Paul Steenbergen, Ida Wasserman, Myra Ward, de jonge held Coen Flink. Na afloop kwam ik altijd ‘per ongeluk’ in het smalle Schouwburgstraatje terecht waar ik zogenaamd mijn fiets stond te zoeken om toch maar te zien hoe al die acteurs naar buiten kwamen. En daar liep Coen Flink met een kratje bier. Ha, een feestje, dacht ik. Ik vond het, met een puberachtige hijgerigheid, het mooiste dat er was: daar wil ik bij horen, ik wil net zo goed worden als Paul Steenbergen. Dat gevoel van ‘erbij te willen horen’ is mijn hele leven gebleven”.
Bram van der Vlugt kwam waar hij bij wilde horen, zij het niet met een consent van thuis, zij het na een korte periode waarin hij bouwkunde in Delft ging studeren. Wanneer je in het nog altijd onvolprezen Acteurs- en kleinkunstenaarslexicon van Piet Hein Honig (van 1984, zou er ooit een supplement van komen?) naar Bram van der Vlugt zoekt, valt onmiddellijk op dat je onder zijn naam naast een lange reeks theaterrollen minstens evenveel televisie- en filmrollen opgesomd ziet. Bij toneel vind je uitersten naast elkaar: het experiment en de vernieuwing van Toneelgroep Studio en Sater naast vrije produkties, rollen in de musical ‘De man van La Mancha’ (Dr Carasio en de Hertog) en in ‘Cyrano de Bergerac (graaf De Guiche). En bij zijn tv-rollen staat ‘Het memorandum van een jonge dokter’ niet ver van ‘Klaverweide’ of ‘Willem van Oranje’. Bram van der Vlugt werd een bekend gezicht, hijzelf een Bekende Nederlander, ook al was die bekendheid soms – later – verpakt in de baard van Sinterklaas.
Laboratorium
Na de Toneelschool kwam Bram van der Vlugt bij Toneelgroep Studio terecht dat al gauw een grote rol zou gaan spelen in de toneelvernieuwing in ons land. “Toen ik daar aangenomen werd was Studio een reizend tweedeplansclubje van Han Surink en Jaap Hoogstra. Maar op een gegeven moment sloeg Han Surink zijn slag door in Amsterdam de Brakke Grond in te nemen. Een jaar later kreeg hij Kees van Iersel zo ver om te artistieke leiding te gaan doen. Van Iersel had alleen literair en politiek experimenteel toneel gemaakt in kleine zaaltjes, in La Gaité boven Tuschinski. En op die nieuwe vaste plek met hem erbij werd de groep uitgetild boven dat reisgezelschapje dat het was. Dit was nieuw, iedereen wilde er wel spelen. Henk van Ulsen, Peter Oosthoek, Joop Admiraal en zelfs Loudi Nijhoff. Opeens werd het een echt gezelschap, waarbij ik het geluk had dat ik er al zat en mocht blijven. Anders was ik daar misschien nooit goed genoeg voor geweest. De Brakke Grond werd door Het Toneel opeens gezien als een laboratorium en we waren stomverbaasd dat de acteurs van de Nederlandse Comedie bij ons kwamen kijken. Dat hadden we nog nooit meegemaakt”.
Keurige jongen
Die verrassende omslag zou de kijk van Bram van der Vlugt op theater sterk bepalen. “Absoluut”, beaamt hij, “ik was een keurige jongen uit Den Haag die wat gestudeerd had, in dienst was geweest en naar de Toneelschool was gegaan. Heel gewoon. En ik was naar Studio gekomen om daar ‘stukkies’ te spelen. En daar beland ik dan bij veel spannender en belangrijker theater. Het was 1967, denk ik, het jaar voor Provo. Regisseur en schrijver Krijn ter Braak had ‘Ganzenborden’ bedacht, een soort interactief toneel, voordat dat woord bestond. Op de vloer van de Brakke Grond lag een groot ganzenbord, er waren allerlei stukjes voor ingestudeerd en het publiek mocht kiezen. Louis Andriessen speelde er piano bij. De speelsigheid van Provo. Dat jaar was de Zesdaagse oorlog van Israel tegen Egypte en Harry Mulisch schreef er eenacter over die wij speelden. Instant theater”. Het was de tijd van verandering. Het Werktheater bracht een revolutie op toneelgebied. Bram van der Vlugt: “Twaalf acteurs die toneel gingen spelen zonder dat er een stichtingsbestuur was. Geen notaris, geen dokter en geen wethouder, maar de acteurs zélf waren het bestuur. In 1969 kwam de Actie Tomaat aansluitend aan Provo, de volgende revolutie. In die tijd ben ik met Ritsaert ten Cate (later Mickery) gaan brainstormen over een gezelschap buiten de schouwburg. De schouwburg was pluche, daar moest je niet meer zijn, dat was elitair. Ik heb toen aan de wieg gestaan van Sater, toneelgroep voor instanttheater. Straattheater. Elke dag is Saterdag, zeiden we. We dachten dat we het publiek wakker konden maken, bewust konden maken van hun eigen situatie. Maar het moest wel toneel zijn, wel onderhoudend zijn. We kregen op ons kop van een groep als Proloog waar ze veel strenger in de socialistische leer waren. Ons vonden ze oppervlakkig. Maar wij willen spélen, zeiden we, anders kun je beter een lezing houden, of een papiertje uitdelen. Als je mensen wilt bereiken moet het ook ‘entertaining’ zijn. Anders wordt toneel een brief zonder postzegel, die komt niet aan. Sater heeft toen en mooie vlucht genomen, daar ben ik nog trots op. Na drie jaar ben ik weggegaan, maar ik heb gezorgd dat er een opvolger kwam, Peter de Baan, die veel geëngageerder was dan ik en veel meer te vertellen had”.
Dr Finlay
De straat en het pluche. Toneel en televisie. Wat op papier tegenstellingen lijken, worden kinderen van eenzelfde vader in het verhaal van Bram van der Vlugt. “Ik ben ook een kameleon. Ik heb in die vijftig jaar na mijn eindexamen geluk gehad. Het geluk dat ik gevraagd werd in verschillende circuits. Want behalve Sater heb ik weinig dingen geïnitieerd, ik ben steeds gevraagd. Ik heb altijd gezegd: ik zou het vreselijk vinden alleen televisie te doen, wan toneel is toch veel meer waard. Je bent er veel meer mee bezig, het is een ander proces en het heeft meer met jezelf te maken. Maar als niemand mij kende en ik zou niet de populaire dingen doen, zou ik ook niet gelukkig zijn. Ik was twee jaar van de toneelschool, in 1963, en ik werd gevraagd als Dr Finlay in een doktersserie bijn de NCRV. En die was zo populair dat ik meteen wereldberoemd was in Bussum. Toen ik zeven jaar later met Sater op straat ging spelen stond er nog in de krant: wat gaat die Van der Vlugt nou ineens doen. Ik werd nog steeds herkend als de jonge dokter, terwijl ik vond dat ik dingen deed die veel belangrijker waren. Spanning tussen die twee, televisie en theater was er voor mij alleen qua loyaliteit en belangrijkheid. Dat heb ik wel vaak meegemaakt. Je bent met hart en ziel bezig bent aan een toneelstuk, je wordt gevraagd voor een televisierol en je probeert die twee dan te combineren. Bij toneelmensen had je dan: ‘Ja zeg, flauwekul, waar ben je nou eigenlijk voor opgeleid, waar ligt je hart?’ En andersom, bij de televisie, als er een toenelpremière werd uitgesteld en je had een tijdsprobleem, was het: ‘Ho ho, waar ben je nou zo beroemd van geworden, van die driehonderd man in dat zaaltje of van wat je bij ons doet?’.”
Goed of fout
Speurend door zijn toneelcarière vallen een aantal rollen op waarin Bram van der Vlugt excelleerde en die iets gemeenschappelijk lijken te hebben. Een lijn tussen de stukken van en over Vaclav Havel die hij speelde bij de Nieuwe Komedie (‘Proces in Praag’, ‘Protest’ 1980/81), de componist Wilhelm Furtwängler in ‘Het verhoor’ van Ronald Harwood (2001) en Niels Bohr in ‘Kopenhagen’. Alle met de onderliggende vraag: wat is goed en wat is fout. Dissidenten en meelopers bij Havel, kunst en politiek in het Derde Rijk bij Furtwängler, en schone handen en De Bom bij Niels Bohr. Bram van der Vlugt: “Dat verslag van Havel van zijn eigen proces, een fantastisch stuk. Het gaat over een Tsjechische dissident en een man die schippert met zijn geweten, omdat-ie natuurlijk, zo gaat dat, wil overleven, wil eten. Daar heeft Havel als schrijver zóveel compassie met die man die ik speelde, die halve collaborateur, terwijl hij zelf de dissident is. Ongelooflijk van een schrijver die zelf slachtoffer was. En het verhaal van Furtwängler is het Willem Mengelberg-verhaal. Het ‘ik ben niet van de politiek, ik ben van de muziek’. Ik heb zelfs ondergrondse activiteit gedaan, zegt Furtwängler. Ik ben met mijn dirigeerstokje in m’n rechterhand opgekomen zodat ik geen Heil Hitlergroet hoefde te brengen. Dat vond hij ondermijnend. Maar hij staat wel op foto’s waar hij de Führer de hand schut. ‘Kopenhagen’ gaat in hoge mate over wat goed is en wat fout. Dat vind ik er zo fascinerend aan. We hebben hier een joodse Deen, de Godfather van de kernfysica, een halfgod. En zijn leerling Weisenberg, die in Duitsland geboren is, voor de Duitsers werkt, maar geen nazi is. Ze werken beiden aan de atoombom. Maar aan het eind van de oorlog heeft Bohr vuile handen, Weisenberg niet. Door Michael Frayn ontzettend knap geschreven”.
Kroonrol
Bram van der Vlugt is heel nuchter als hij geconfronteerd wordt met de veelzijdigheid en veelkleurigheid van de rollen en rolletjes die hij speelde. Met zijn soort acteren. “Laten we aannemen dat er een basis is en dat je een stukje kunt acteren. Maar de een is wat handiger dan de ander en ik denk dat ik vrij handig ben en dat gaat dan weer ten koste van diepgang. Ik ben gewoon een bruikbaar type, een nette man, die je kan inzetten voor doktoren, advocaten, architecten, gentleman-boeven, bankdirecteuren, dirigenten”. Maar met Niels Bohr speelt hij dan toch zijn ‘kroonrol’, typerend voor zijn kunst om de nuances en het denken in een rol helder te maken. Hij heeft net ‘Gloed’ gezien met Eric Schneider. “Een stuk over drie stokoude mensen dat de Publieksprijs krijgt. Ongekend. Dat geeft hoop. ‘Kopenhagen’ heeft dan niet zoveel oude mensen, behalve ik, maar de acteurs lullen de oren van je kop. En de mensen vinden het fascinerend. Dat is toch heerlijk, echt heerlijk”. Een prachtige rol om afscheid te nemen, suggereer ik voorzichtig. “Helemaal niet”, knalt Van der Vlugt er bijna verontwaardigd tegen in.”Er zijn toch ook rollen van mannen van tachtig? Ik heb de laatste jaren wat afgehouden, maar dat was alleen omdat ik geen zin heb om het hele land door te trekken, ik ben 76. Maar bij impresariaat Hummelinck Stuurman bestaat het idee om bij een mooi stuk voor ons soort mensen, en er zijn er meer van mijn leeftijd, met dubbele bezetting te werken. De ene acteur drie keer per week, de ander drie keer. Er is van alles denkbaar. En zolang is alles nog kan onthouden, blijf ik”.
Voorlopig nog ‘Kopenhagen’ in ‘zijn’ Koninklijke Schouwburg. “Ik heb hier wel geen triomfen gevierd, maar hier is het allemaal begonnen. Die liefde, dat ‘ik wil erbij horen’. Niet als liefhebber, als amateur, maar als gediplomeerd en geaccepteerd toneelspeler. Toen ik die Louis d’Or voor ‘Kopenhagen’ kreeg was het definitief. Ik ben een van hen”.