|
|
|
'Zo is hij onderweg, een leven lang, Ook als het spookt, gaat hij gewoon zijn gang, Doorgaan, dat is zijn geluk en zijn verdriet. Tevreden is hij nooit, geen ogenblik.' Goethe, Faust II, Diep in de nacht vertaling/bewerking Janine Brogt
J o h a n D o e s b u r g over het project F a u s t I & II 'Goethe's Faust is een soort superpoppenkast, een magische en hallucigene trip zo U wilt. De Faust-figuur durft een duistere drempel over te gaan, hij neemt een radicale beslissing die in zijn voordeel maar netzogoed in zijn nadeel kan uitpakken, hij stapt in een caroussel van geluk die even snel in een helletocht kan verkeren (wat ook met grote regelmaat gebeurt). Maar hij doét het, hij durft iets wat ik mezelf nog niet zo snel zie doen, hij neemt een groot risico. Goed, de verleiding is ook stevig. Iemand zal je maar de kans bieden op een radicale verjonging, terwijl je de ervaringen die je hebt opgedaan op oudere leeftijd mag meenemen in je jongere 'Ik'. Faust doét het. Hij brengt zichzelf in de positie waarin hij danig in de war zal raken, buiten zichzelf zal treden misschien. Maar hij doét het. Die durf van hem, daar ligt een groot deel van de attractiewaarde van dit toneelavontuur.' 'Voor ons toneelmakers is van grote betekenis dat de Faust-figuur van meet af aan ontevreden is met zichzelf, zijn leven, zijn bestaan. Alleen al de wijze waarop er in de Proloog in de hemel door God en met name door Mefistofeles over Faust wordt gesproken, spreekt boekdelen: "Hij is gek. Eten en drinken doet hij niet; Zijn onrust drijft hem tot extremen, Hij is zich zijn eigen gekte half bewust, Hij wenst de mooiste sterren van de hemel En van de aarde de allerhoogste lust. Maar voor al die hartstocht is er niets Dat hem werkelijk bevrediging biedt." De samenvatting door God is iets beknopter: "De mens dwaalt zolang hij nog ambities heeft." Faust heeft een geconcentreerd leven geleid. Zijn kennisniveau lijkt compleet. Maar hij is ontevreden met zijn inzichten op grond van zijn studies, ook en misschien wel juist die van de theologie, die hem niet een meta-wereld heeft getoond, of een godsbesef middels inzichten. Faust wil zich uit die ontevredenheid bevrijden, hij wil zich revancheren op zijn leven tot dan toe, hij zoekt een inhaalmanoevre, waarbinnen hij een recht claimt op genot en lust (in deel 1), later op geld en macht (in deel 2). Hij zoekt naar andere verbanden, hij zoekt naar een metafysica van het leven, hij gaat de duisternis van het verbond met Mefistofeles in, teneinde een grotere helderheid te krijgen. En die tocht naar het einde van zijn nacht wordt een soort trip, een eindeloos lijkende hallucinatie. De wederwaardigheden van Faust bevinden zich daar niet zelden op puur sprookjesniveau. Die botsing tussen verworpen werkelijkheid en gekoesterde verbeeldingskracht, is voor ons toneelmakers een lekker motief om Goethe's Faust aan te pakken.' 'En dan Mefistofeles. Hij en Faust zijn een twee-een-heid. Mefistofeles is een katalysator in de scheikundige betekenis van dat woord, alleen al zijn aanwezigheid bewerkstelligt stofwisseling, verandering. Hij is de wandelende metafoor van de dubbele moraal, de alomtegenwoordige tegenkleur van het zogeheten eeuwig goede in de mens. In het nawoord bij een recente tekstuitgave van de integrale Faust-vertaling noemt Ilja Leonard Pfeiffer de twee-eenheid van Faust en zijn tegenvoeter/alter-ego Mefistofeles "de logische consequentie van de zondeval". Hij schrijft: "De mens is verdreven uit het paradijs doordat hij zich door de duivel heeft laten verleiden zich vragen te stellen bij dat paradijs en op zoek te gaan naar antwoorden. De duivel is de geest die steeds ontkent, zoals ook de wetenschapper krachtens zijn beroep verplicht is te falsifiëren en te ontkennen wat voor waar wordt aangenomen." De Mefistofeles-figuur is de verpersoonlijking van het genot om het slechte in de mens te entameren. Maar hij is bij Goethe veel meer dan dat en dat maakt hem voor toneelmakers zo aantrekkelijk. Hij is speels, ironisch, geestig, hij is zeer gewaagd aan Faust, op een plezierige manier amoreel en puntig, hij maakt van alles mogelijk en laat pas daarna reflectie toe. Het is ook volkomen terecht wat hij over de tragedie rondom de minnares van Faust, Gretchen tegenover Faust te berde brengt: jíj wilde dat meisje, jíj creëerde de ellende, het is allemaal je eigen keuze, ík heb het alleen mogelijk gemaakt. Dat is Mefistofeles ten voeten uit: ga met mij mee, ik kan het leuker voor je maken. Althans in dit leven. In een volgend leven ben jij van míj.' 'De grote kracht van Goethe's Faust blijft het contract tussen Faust en Mefistofeles. Dat contract wordt in deel I van de tragedie afgesloten in de grote confrontatie in de Studeerkamer. Het is een in eerste instantie vrij nuchter en zakelijk contract. Mefistofeles "Hier ben ik jouw medewerker, Alles zet ik voor jou opzij. Komen wij elkaar daar weer tegen, Dan doe jij hetzelfde voor mij." Faust "Daar, dat zegt mij niet zoveel. Als je deze wereld in puin slaat, Zie ik wel hoe het verder gaat. Ik leef nu. Wat er daarna gebeurt, Kan mij hoegenaamd niet interesseren." Mefistofeles zegt dan in feite: daar gaan we uitkomen, ik heb jou per slot van rekening iets te bieden dat geen mens ooit heeft beleefd. Faust persisteert: ik wil alles en wel nu, onverwijld, direct, meteen! Mefistofeles riposteert: daar is aan te komen, maar wat gebeurt er als je in kalmer, rustig vaarwater terecht komt? En dan formuleert Faust á l'improviste de eindtermen van het contract: "Als ik me ooit verzadigd op mijn bed laat vallen, Dan is het met mij afgelopen. Als jij me ooit zo ver kunt krijgen Dat ik mezelf gelukkig noem, Dan is dat mijn laatste dag. Dat is mijn inzet. (Mefistofeles antwoordt: Deal.) Als ik ooit zeg tegen een ogenblik: Blijf nog duren! Je bent zo mooi! Dan mag de doodsklok voor mij luiden. Het uurwerk stoppen, de wijzer vallen. Dan is de tijd voor mij voorbij." Mefistofeles wil het daarna alleen nog even op schrift. Op driekwart van het werkproces aan de voorstelling, zijn wij toneelmakers nog steeds in de weer met "de kleine lettertjes" van dit contract. Want eenduidig is het allemaal niet. Nóg een reden voor ons om de tanden in Faust te zetten.' 'Doen wij de wereld een plezier door Faust te laten zien? Is het puur entertainment? Is het amoreel om een man in de war te tonen? Hoe is het toch mogelijk dat Faust overal mee weg lijkt te komen? In deel 1 is hij verantwoordelijk voor de dood van zo'n beetje de complete familie van Gretchen, inclusief zij zelf, en hij wordt niet gestraft - een beetje gewetenswroeging en de naam Gretchen valt daarna geen moment meer. In deel 2 loopt het aantal slachtoffers van Faust in de tientallen, zo niet honderden. Waarom wordt hij niet ter verantwoording geroepen? Heiligt het doel de middelen? Is dat de moraal van Faust: ga je gang maar jongens, je komt ermee weg en het loopt nog goed af ook? Hoewel, goed aflopen? Hij gaat wel dood! Maar ja, hij wordt wel verdomd oud. Net als Goethe zelf trouwens. Goethe's Faust stelt een hoop vragen en geeft plezierig weinig antwoorden. Als wij, toneelspelers, toneelmakers, ons werk goed doen, bewerkstelligen we via die vragen een permanente tweespalt in het hoofd van de toeschouwer.' 'Tot en met het raadselachtige slot stelt het stuk ons die vragen. De mannelijke God aan het begin van de vertelling is hier verdwenen, hij lijkt vervangen door "das ewig weibliche". Wat is dat? Mannen maken er een zooitje van, vrouwen zorgen tenminste voor nog wat coherentie in de maatschappij, is dat wat hier wordt bedoeld? Het is in ieder geval een tot nadenken stemmend, memorabel slot. Volgens het script worden die afsluitende woorden gesproken door de "gedesillusioneerde" Mefistofeles: "Al wat voorbijgaat Is louter schijn; Al wat faalde Mag daar Zijn; Het onbeschrijflijke Wordt daar feit. Het eeuwig-vrouwelijke Is wat mensen leidt." Wij blijven nog wel even doende met de Faust-trip van Goethe. We hopen U te zijner tijd op ons pad te treffen.' |