‘Prachtige Glenn Gould van Stefan de Walle’ kopte Den Haag Centraal op 11 april 2008. Alle theatercritici waren trouwens vol lof en de voorstellingen bij het Nationale Toneel uitverkocht. Vandaar vanaf 28 april een nieuwe serie ‘Glenn Gould’. Opnieuw acteur Stefan de Walle in z’n eentje in die solo-met-muziek van honderd minuten. En had hij ook net niet een tournee met de enorme lappen tekst als de fysicus Werner Heizenberg in “Kopenhagen’ gespeeld?
door Bert Jansma
De knop mag nog niet op ‘delete’ bij Stefan de Walle. Normaal gesproken, vertelt hij, gebeurt dat. “Heel vreemd, maar als je helemaal klaar bent met een rol, alle voorstellingen gehad hebt, laat je die tekst vallen. Hupsakee, ’t is weg. Maar als je weet dat je een rol weer gaat opnemen, ‘delete’ je niet helemaal. Dan sluimert die rol ergens in een achterkamertje van je hoofd. En dan moet je de tekst weer langzaam laten ontwaken”.
Ten tijde van ons gesprek is De Walle bezig Glenn Gould weer wakker te maken. Want hij wist dat hij hem weer zou spelen. Gedurende de succesvolle serie vorig jaar stapte hij naar gezelschapsdirecteur Evert de Jager toe met de opmerking dat het zo jammer was dat het na die serie afgelopen was. ‘Wil je het nog eens doen?’ vroeg De Jager verheugd en ruimde plaats in. Geen delete-knop. Maar ook ‘Kopenhagen’ komt straks terug, voor vier laatste voorstellingen tijdens welke acteur Bram van der Vlugt zijn 75ste verjaardag viert. Weer ‘no delete’. Stefan de Wale: “Ik kom nu net terug uit ‘Kopenhagen’, om het zo maar te zeggen. Een best intensieve tournee. Het publiek vond het geweldig, maar dat stuk gaat niet vanzelf, dat merkten we wel. Elke avond weer een gevecht om het die spanning te geven. En dan zit je op je hotelkamertje in Leeuwarden, Groningen of Maastricht tegelijkertijd terug te bladeren in je hoofd naar Glenn Gould. Ook best veel tekst. Maar die wordt dan wel doorsneden door prachtige muziek. Die geeft ruimte om adem te halen”.
Stefan de Walle lijkt een voorkeur te hebben voor rollen met een hoge moeilijkheidsgraad. Zijn Cyrano de Bergerac, zijn Edmond Dantès in ‘De graaf van Monte Christo’, zijn Lucky in ‘Wachten op Godot’. “Ik vind het leuk als het een uitdaging is” zegt hij. “Die monoloog bij Becket, daar heb ik op zitten blokken om dat in m’n kop te krijgen. Een totaal onsamenhangende brij van woorden. Daar moet je dan een eigen logica bij bedenken. En dan die bewegingen erbij. Het deed me aan een dol hondje denken”. We praten over de manier waarop hij een rol aanpakt. Vanuit de fysiek van een personage? Vanuit de tekst? “Dat zijn dingen die zichzelf tijdens het repetitieproces aandienen. Ik heb niet urenlang naar video’s van Gould gekeken om die man precies na te doen. Ik zoek naar associaties in mijn verbeelding. Dat is de enige manier waarop ik het naar het publiek kan overbrengen. Zo werk ik met alle rollen. Dat ik, Stefan, als acteur, een verbinding met die rol krijg. En dat ik als het ware de telefoonpaal ben tussen personage en publiek. Er zijn acteurs die een toneeltekst nemen en dan zeggen: hier moet iets ánders mee. Terwijl het uiteindelijk gaat om wat er stáát, wat het verhaal is dat je moet vertellen. Als je je eigen verbeelding, je fantasie erop loslaat, wórdt het al anders dan het ooit geweest is. Omdat jíj het doet. En dan is het wonderbaarlijke, dat er op repetities dingen gebeuren die je nooit van tevoren had kunnen bedenken. Die dienen zichzelf aan”. De Walle trekt een lijn naar zijn werk voor de televisie-improvisatie-serie ‘De vloer op’ (Humanistische Omroep). “Dat zijn opdrachten die je op dát moment om je oren krijgt. Dan gebeurt er iets in die grijze massa hierboven, dan ontstaat er iets. Net als bij een theaterrepetitie. Je moet vooral geen haast hebben. Niet meteen willen scoren. De innerlijke rust hebben om kansen te pakken. Jezelf toestaan om rond te kijken in je verbeelding”.
Knippen en plakken
Het was regisseur Franz Marijnen die aankwam met het idee een stuk over de pianist Glenn Gould te maken. De Walle: “Franz liep al een tijd rond met die fascinatie voor Gould. Ik herinner me dat ik als kind thuis een documentaire over hem op de tv zagen. Die muziek en dat gezing van hem erbij. Daar werd over gepraat. Ik heb ooit wél die box met opnames van Gould gekocht, maar ik was er echt niet dag en nacht mee bezig. Franz had een voorselectie gemaakt van biografieën, documentaires, geluidsopnames, citaten. Daar zijn we mee gaan knippen, plakken, schuiven. Tot we tot een soort script kwamen. We waren zelf eigenlijk ook verwonderd hoe goed dat theatraal werkte”. Absurd eigenlijk, een theaterstuk over een man die zich juist steeds meer van het publiek en van de zaal afkeerde. Stefan de Walle: “Hij haatte massa’s. Hij vond het wrééd dat mensen in een zaal gingen zitten om te kijken van: hoe gaat-ie dat vanavond nou weer doen. Ja, dat staat haaks op wat wij doen. Er zijn acteurs die ook zo denken. Van: ik neem het wel op voor televisie. Ik kan me er soms wel iets bij voorstellen. Die afgelopen tournee met ‘Kopenhagen’, dat je die berg weer op moet. Dan denk je soms: wat doe ik eigenlijk? Wat doe ik mezelf aan om elke avond weer een examen af te leggen? Maar tegelijkertijd is het avontuurlijk en spannend om het elke avond wéér te doen. Het is een verslaving. Wat een raár vak eigenlijk, denk ik vaak. Voor mij als acteur, maar ook wat het publiek betreft. Dat je met z’n allen in een zaal gaat zitten. En dat ik dan net ga doen alsof ik Glenn Gould ben. En dat zij dat allemaal willen geloven. Het iets heel geks, maar ook iets heel ontroerends. Iets van terug naar je kindertijd misschien, naar het spelen met je verbeelding. Fascinerend, avontuurlijk, ik weet niet welke woorden ik er op los moet laten. Maar het maakt toneel wel extra speciaal”.
Cito-toets
Toneel was het van begin af aan voor Stefan de Walle: “Al op de lagere school. Ik weet niet waar het vandaan komt. Mijn ouders zijn beeldend kunstenaar. En mijn vader was heel erg met muziek bezig. Maar toneel, dat zagen we alleen op de televisie. Blijspelen, dat was het. Ik vond het op school al zo ongelooflijk leuk om te doen. Je kreeg er heel veel aandacht door, dat stimuleerde enorm. Hé, dat gaat lekker, denk je dan. Ik herinner me nog dat ik een Cito-toets deed. Wat wil je worden, vroegen ze. Acteur. Maar ik had die toets zo slecht gemaakt dat ik het advies kreeg naar de LTS te gaan. Op de Vrije School daarna, heb ik veel toneel gedaan en op m’n zeventiende ben ik aangenomen voor de toneelschool in Arnhem”. Hij kreeg er les van Gees Linnenbank, Christiaan Nortier, Christine Ewert en Carol Linssen en speelde in zijn laatste toneelschooljaar al twee stage-rollen bij grote gezelschappen. Maar bij de vraag van wie hij het meest geleerd heeft, komt De Walle bij een mede-acteur terecht: “In het begin van mijn carrière heb ik heel veel van Lou Landré opgestoken. Dat was bij het RO-theater. Ik kwam net van de toneelschool. Hij was een van de oudere acteurs en hij nam mij serieus. Dat vond ik ongelooflijk prettig. Hij heeft me geleerd hoe je je moet handhaven binnen zo’n gezelschap. Hoe je moet omgaan met alles wat op je afkomt. Heeft me daarin rust geschonken. Een soort mentor. Niet van: ik zal ’t jou wel even leren. Hij nam ook dingen van mj aan. En hij is me daarin heel dierbaar. Verder pik je in je leven onderweg heel veel op. En je wordt ouder. Wijzer, weet ik niet. Ik weet het eigenlijk allemaal niet zo. Natuurlijk merk je dat je dingen hebt opgebouwd, dat je inmiddels veel techniek in huis hebt. Maar ik probeer toch altijd wel het kind te zijn dat die grote, nieuwe tuin binnenkomt en een beetje verbaasd om zich heen kijkt: Goh, wat zal ik nou eens plukken? Dat probeer ik te houden. Niets is zo irritant als een acteur die het allemaal al weet. Niemand weet ’t allemaal”.
Kunstje kijken
Onzekerheid. “Een onlosmakelijk bestanddeel”, vindt Stefan de Walle, “het hoort erbij, daardoor blijft het leven. Ik weet nog dat we ‘Angels in America’ speelden bij het RO-theater (De Walle kreeg een nominatie voor de Louis d’Or voor zijn rol als Prior daarin, later kreeg hij er nog een voor Cyrano.BJ). Ik dacht: het ging lekker vandaag. Dan kwam regisseur Guy Cassiers in de pauze en die zei: ‘Hmm, nou nou, een beetje tevéél onder controle’. Je zit fout zodra men denkt: ik ga naar een kunstje zitten kijken. Het is mooier, avontuurlijker, naar iemand te kijken die met zijn gedachten aan het vechten is. ’t Is helemaal niet erg om in de problemen te zitten. Ik vlieg liever een avond uit de bocht dan dat je jezelf keurig elke keer gaat herhalen”. Wel eens gebeurd, Stefan, dat uit-de-bocht-vliegen? “Ja, niet zo heel vaak. Met ‘Kopenhagen’ bijvoorbeeld, dat ging al heel snel in ‘try-out’. Dan had ik een stukje monoloog waarin ik dacht: wat komt er nu in godsnaam? Er kwam toen al krakende een rare tekst uit. Maar uiteindelijk kwam die toch terecht waar hij zijn moest. Het zijn van die momenten dat het zweet je even op de rug staat. Maar meestal blijf ik rustig. Tenslotte weet het publiek toch niet wat er precies gezegd moet worden. Bovendien, ik ben min of meer de baas op die avond. Ik bepaal wat er gebeurt. Natuurlijk ben je wel eens geïmponeerd door een hele grote zaal. Zoals je onder de indruk kunt raken van een kerk. Natuurlijk zijn er soms die rare momenten van eenzaamheid. Dat je vlak voor aanvang in de coulissen staat en denkt: nu gaat het gebeuren, de mensen zitten er al, het móet. maar zal ik het wel weten? Natuurlijk weet je het. Af en toe sjees je langs een ravijn. Daar kan je je soms ellendig bij voelen. Maar achteraf zijn het vaak de mooiste momenten van een avond. Het is bijna een onderdeel van je vak. Dat je jezelf min of meer in problemen brengt en denkt: godsamme, hoe kom ik hier weer uit. Het geeft een activiteit, een Hier en Nu, een actualiteit die volgens mij heel erg belangrijk is om een mooie avond te hebben”.
Glenn Gould, ‘Kopenhagen’, dan is het vakantie voor Stefan de Walle. Op naar het volgend seizoen bij het Nationale Toneel. Daar wacht de rol van Lopachin in Tsjechovs ‘De kersentuin’. “Daar kijk ik erg naar uit. Spelen met Sacha Bulthuis. In de regie van Erik Vos. Ik vond het bij zijn ‘Maria Stuart’ al bijzonder om met hem te werken. We gaan het heel veel spelen. Want al die schouwburgen in het land hadden er ook best zin in”.