Faust, God en de Goden

FAUST, GOD EN DE GODEN

Een bovenaards genot is ‘t inderdaad
Om ’s nachts op een klamme berg te waken.
Aarde en hemel heerlijk te omknellen,
Je tot een godheid op te laten zwellen,
Te zwelgen in grootse almachtsdromen
En dan, losgezongen van het aards bestaan,
Om zo te zeggen: gigantisch klaar te komen.

Is een toneeltekst waarin God in een proloog sprekend wordt opgevoerd, een diep religieuze tekst of juist godslasterlijk? Die vraag dringt zich op in Faust, zeker wanneer God een chagrijnig wezen blijkt dat zich van de wereld heeft afgewend. Hij is trouwens niet de enige godheid die zijn opwachting maakt in de Faust-cyclus, want na God volgen nog een hele reeks goden en halfgoden, vooral uit de Griekse mythologie, die allemaal een even sterk bestaan leiden als God in de proloog.

Bezield verband
Het klassieke veelgodendom moet voor de dramaturg Goethe in dramatisch opzicht aantrekkelijk geweest zijn. De constante strijd tussen hen; de vele waarheden die ze belichamen; de onaffe verhalen die niet hun beslag kregen in een definitief boek als de bijbel: hun aanwezigheid in de wereld, in natuurverschijnselen als bergen, sterren, zeeën of rivieren. Dat moet de natuurliefhebber Goethe zeer hebben aangesproken.
In polytheïstische religies manifesteren goden en godinnen zich in en door de natuur; de goden en het geschapene hebben deel aan elkaar, zodat ook planten en dieren delen in hun heiligheid. De natuur is een bezield verband. In het monotheïsme zijn de goden en het goddelijke uit de wereld verdreven en is er nog maar één verheven, transcendente godheid die onzichtbaar, onkenbaar en dus bijna abstract is.

Steken onder water
Dat de Luthers opgevoede Goethe geen kerkelijk man was, kan met zekerheid gezegd worden. Ook in Faust zijn veel steken onder water naar de clerus te vinden. Zo zijn de geestelijken in beide delen de meest gehaaide zakkenvullers. En dat Goethe weinig op had met de officiële kerkleer en theologie, mag blijken uit de klassieke geworden verzuchting van Faust aan het begin:

Nu heb ik toch uitputtend
Dag en nacht, filosofie, rechten,
Medicijnen en ook nog, helaas,
Theologie gestudeerd,
En daar sta ik dan, zot die ik ben,
Ik heb er niets van opgestoken.

Even verderop wordt de theologie bij monde van Mefistofeles als volgt beschreven:

Ik wil natuurlijk niets ten nadele
Zeggen van deze mooie wetenschap.
Juist waar de zin zeer dubieus is,
Dient een woord zich makkelijk aan.
Woorden kunnen alles claimen.
Met woorden knutselt men systemen.
Maar ’t blijven woorden, woorden, woorden.

Vergeestelijkte vrouw
God de Vader uit de proloog is een harde, bijna cynische God, die net als de joodse God van Job een sterveling vreselijk wil beproeven - testen op zijn standvastigheid in het geloof. In Faust wordt, meer dan standvastigheid, de werkzaamheid van het geweten getest. Kun je zover van de juiste weg afdwalen in het leven, dat je de weg naar het rechte pad niet meer weet te vinden? Dat is het onderwerp van de weddenschap tussen God en de duivel. Is de mens van nature een moreel wezen, of vraagt ons moreel besef voortdurend onderhoud en kan het bij grote verwaarlozing voor altijd verdwijnen? Aan die test wordt Faust onderworpen.

Wanneer Faust aan het einde van het tweede deel de eindstreep haalt en zijn ziel voor de ogen van Mefistofeles weggekaapt wordt door een engelenschaar, is de God uit de proloog in geen velden of wegen te bespeuren. Bij Fausts tenhemelopneming is alleen nog sprake van een goddelijke energie die wordt omschreven als het ‘eeuwig-vrouwelijke’. Daar wordt de onsterfelijke ziel naar toe getrokken. De belichaamde mannelijke God uit de proloog is een onzichtbare, vergeestelijkte vrouw geworden. De harde, cynische gokker is afgelost door een vergevingsgezind abstract principe.

Hier en nu
En onderweg zijn er talloze ontmoetingen met goddelijke wezens uit de Griekse oudheid. Goethe was met deze wereld in aanraking gekomen tijdens zijn reis naar Italië. In de kerken en ruïnes had hij oog in oog gestaan met de oudheid en met haar wedergeboorte in de Renaissance, waarin de klassieke cultuur het denken en de beeldcultuur van het Italiaans christendom was binnengedrongen.
Op een van zijn eerste halteplaatsen in Italië, maakten oude Romeinse grafbeelden in een museum diepe indruk. De overledenen waren heel bescheiden afgebeeld in hun dagelijkse bezigheden, in hun hier en nu. Geen pompeuze verwijzingen naar een leven in het hiernamaals zoals op de christelijke tombes die hij uit Duitsland kende. Hier in Italië werd het leven geëerd in al zijn eenvoud, geen exaltatie over een mogelijk leven na de dood. En wanneer Goethe de dag erop voor een schilderij staat waarop Mozes het manna uit de hemel laat regenen voor de hongerende Israëlieten,denkt hij geërgerd dat het onderwerp de schilderkundige kwaliteit van de afbeelding geen recht doet. Wat leert zo’n schilderij je nou? Dat je als je honger had maar moest wachten op een wonder? Met dat soort bijgeloof kwam je niet verder in de inrichting van je leven. Het was deze viering van passiviteit, onnadenkendheid en onmondigheid die Goethe uitermate irriteerde in het noordelijke Christendom.

Gods evenbeeld
Als Faust zelf ergens mee bezig is, dan is het zijn eigen goddelijkheid. Want zoals hij niet onsnedig stelt is hij toch naar Gods evenbeeld geschapen. En voelt hij zich vaak een god in het diepst van zijn gedachten. Maar daar heeft hij in zijn leven tot nu toe zo weinig van gemerkt. Hij wil zijn stempel op de wereld drukken en daardoor onsterfelijk worden als een god. Mefistofeles zal hem vervolgens in zeven stadia en in even zoveel domeinen (wetenschap, lust, liefde, politiek, economie, kunst en religie) het gevoel van almacht verschaffen. Dit culmineert in de vijfde akte van Faust II, waarin hij alleenheerser wordt over een door hemzelf gecreëerd land.

In het eerste deel van Faust I, het zogeheten geleerdendrama wil Faust, “als übermensch” , "de hoogste waarheid en het hoogste goed", dus Gods kennis én diens scheppingskracht bezitten. Dat is volgens Marsilio Ficino’s Platonica theologica de immortalitate animarum uit 1482 de eerste van de zeven wegen die de ziel natuurlijkerwijze inslaat om de eigenschappen van God te verkrijgen. Voor de filosofische ontwikkeling van Faust heeft Goethe zich mede op dit invloedrijke, humanistische geschrift gebaseerd. Faust is de moderne mens, die zich de "donkere drang" van alle wezens naar God terug bewust is geworden.

Innerlijke tegenspraak
Maar het bijzondere aan Faust, in tegenstelling tot ons ‘gewone’ stervelingen, is dat hij zich in zeven stadia expliciet en exclusief concentreert op telkens één van de zeven domeinen (met naast de hierboven al vermelde ook: lust en liefde zonder grenzen, almacht, alomtegenwoordigheid, rijkdom, heerschappij en zich laten vereren als een god). In Faust transformeert Goethe de onbewuste drang van ieder mens naar goddelijkheid (en dus naar onsterfelijkheid) in een bewust streven. Maar hij verheerlijkt dit verlangen niet. Integendeel, het is de concentratie en eenzijdigheid van Fausts streven die Goethe dubieus vindt. Want door de absolute verwaarlozing van de andere richtingen beperkt Faust zichzelf telkenmale. Hij raakt erdoor volgens Goethe in een ‘innerlijke tegenspraak van vooruitgang en regressie, trots en verlegenheid’, die het ongelukkige bewustzijn van de moderne mens zou gaan tekenen.

Karim Ameur