Faust geschiedenis

FAUST
Wie Faust zegt, denkt aan Faust van Goethe. Dat zijn 12.111 verzen in twee delen. Dit toneelstuk heeft tientallen schrijvers, waaronder Thomas Mann en Michael Boelgakov aangespoord om het op hun manier na te vertellen.
Er zijn bovendien meer dan 850 muziekcomposities die op Goethe’s Faustverhaal teruggaan.
Er zijn honderden mensen die zichzelf Faust noemen (maar een paar mensen die echt die achternaam hebben.) Er zijn popgroepen die Faust heten, computernerts die zich achter die naam verbergen en op de Wallen is een seksbedrijf dat zo heet.
Er zijn weinig legendarische personages die zo tot de verbeelding spreken als deze zoeker naar oneindige kennis en geluk die het op een akkoordje gooit met de duivel om die kennis en dat geluk te krijgen.
Waar komt dit personage vandaan?
Wanneer we teruggaan in de westerse geschiedenis komen we uit bij een man die echt heeft bestaan. Hij stond model voor Goethes verhaal.

I Middeleeuwen

We gaan terug naar de Middeleeuwen, naar het gebied dat nu Duitsland heet. Daar reisde een zonderling van stad naar stad om zijn kunsten te vertonen als ‘man van de wetenschap’. Dat wil zeggen: hij trok horoscopen, onderwees studenten in de filosofie en hij verkocht wonderdrankjes.

De man heette Johannes of Georg Faust of Faustus. Waar hij precies is geboren weet men niet. Het moet ergens in het noorden van Duitsland zijn geweest. Hij is daar rond 1480 geboren. Faust was niet zijn echte naam. Het was eerder een marketingvondst, want je kon de naam op verschillende manieren uitleggen: misschien verwees hij naar zijn oorspronkelijke geboorteplaats Knittlingen. Knittel betekent knuppel en dat is fustus in het Latijn. De naam kon ook betekenen ‘de gelukkige’ van het Latijnse ‘faustus’: daar konden zijn klanten dan aan aflezen dat zijn kennis van alchemie en zwarte magie hem geen windeieren had gelegd. Er bestaat een soort visitekaartje van hem uit 1506 waarop staat: Magister Johannes Georgius Sabellicus, Faustus junior – geestenbezweerder, sterrenduider, handoplegger, magiër, handlezer, wolkenduider, vuurduider en medisch handlijnvoorspeller.

Zeer geliefd maakte Faust zich niet bij zijn optredens. Er deden tijdens zijn leven al veel verhalen over hem de ronde.
Uit zijn tijd zijn 9 getuigenissen over hem bekend. In de ogen van de meeste getuigen is Faust een vreselijke opschepper, een nietsnut met een grote bek, een rust- en ordeverstoorder die geen ontzag heeft voor de Kerk of het humanisme. (Wanneer men de getuigenissen echter met de ogen van de 18e eeuw en de eeuwen daarna leest, ziet men een fascinerende man die solidair is met de arme en kleine mensen en die de heersers belachelijk maakt.)
Verschillende kerkhoofden betichtten hem van necromantie ( uit het Grieks en betekent: kunst om met hulp van het oproepen van de geesten van gestorvenen de toekomst te voorspellen. Een soort geestenbezwering) en sodomie ( zgn. ‘tegennatuurlijke seksuele handelingen. Dit kon van alles zijn: seks met dieren, homoseksualiteit, orale seks, masturbatie, pedoseks, wurgseks enz.).
In een brief van een abt (= hoofd van een klooster) uit 1507 staat dat Faust er prat op ging dat hij zoveel kennis en wijsheid had verzameld dat, wanneer alle teksten van de Griekse filosofen Plato en Aristoteles helemaal uit de herinnering van de mensen zouden zijn verdwenen, hij met zijn kennis het geheel zou kunnen reconstrueren en nog stijlvoller ook. De abt schrijft ook dat Faust opschepte dat hij de wonderen die Christus verrichtte zo zou kunnen overdoen omdat het helemaal geen wonderen waren. Voor de abt was het duidelijk: waar kon Faust anders in de leer zijn geweest dan bij de duivel zelf?
Ook Luther, die in die tijd verbannen was naar het kasteel Wartburg en daar de bijbel voor het eerst in het Duits aan het vertalen was, spreekt in zijn brieven over Faust. Hij vertelt dat Faust een verbond had met de duivel.
Niemand keek er dan ook vreemd van op toen verteld werd hoe gruwelijk Faust aan zijn einde was gekomen: voorbijgangers hadden een ijselijk geschreeuw gehoord en bij nadere inspectie bleek dat van Faust niet veel meer over was dan wat bloedspatten op de muur. Anderen vertelden dat Faust werd gevonden met zijn hoofd achterstevoren op zijn romp. Tegenwoordig is de meest gangbare verklaring dat hij is gestorven in Stauffen in de Breisgau, aan de gevolgen van een chemisch experiment. Hij was op dat moment in dienst van de Heer von Stauffen en had opdracht gekregen om op een kunstmatige manier goud te vervaardigen. Toen heeft er op een nacht een explosie plaatsgevonden met als gevolg dat de alchemist in stukken is teruggevonden. In de volksroddel bleef daarvan over dat Faust door de duivel gehaald moest zijn. Maar als Faust door de duivel was gehaald dat had hij zeker al jarenlang contact met de duivel gehad. En als hij van stof goud kon maken, moest hij een verbond met de duivel hebben gehad. Bij het lijk van Faust begon dus een nieuw leven voor hem, dat gestoffeerd werd met de veel oudere verhalen over tovenaars, magiërs, wonderdoeners, alchemisten en avonturiers.

Na Fausts dood dachten slimme zakenmensen: ‘Daar zit geld in.’. Ze brachten de verhalen over Faust bij elkaar in een bundel. Die werd zo populair dat er voortdurend nieuwe uitgaven van verschenen. Steeds weer werden de oorspronkelijke verhalen opgeklopt:
- op rijm
- als toneelstuk
- als poppenspel. In het plaatselijke dialect maar ook in het buitenland.

II Renaissance
Faust leefde in een tijd waarin alles in beweging was (Renaissance: zie Columbus, Luther, 1525 Boerenoorlog, Karel V, de Turken voor de poort van Wenen in 1529). Na zijn dood werd hij zo populair omdat men van hem een man van de Renaissance kon maken.

Faust werd in de Renaissance de wetenschapper en uitvinder die geen genoegen neemt met het leven zoals het zich aan hem voordoet. Hij wil verder kijken, wil verder zoeken, verder dan hij mag van de Kerk. Hij wil zich op het domein begeven dat voor de Middeleeuwse mens verboden gebied was, op het domein van God. Wie hem daar graag bij helpt, is natuurlijk de duivel.
Die duivel heeft in de Renaissance - verhalen over Faust een naam: Mephistopheles. In de oudste verhalen wordt de naam gespeld als: Mephosto-philes. Die naam is ook voor allerlei uitleg vatbaar: hij is simpelweg ‘Mefausto-philes’ (dat is Grieks voor: ‘geen vriend van Faust’) of hij is ‘Mephoto-philes’ (dat is Grieks voor: ‘geen vriend van het licht’). De naam kan in het Hebreeuws ook betekenen: ‘Mephiz-Tophel’: ‘vernietiger’ of ‘leugenaar’.

- Volksbuch van Johann Spiess uit 1587.
De boekdrukker HoJhann Spiess publiceert in Frankfurt am Main in 1587 de eerste Duitse bestseller: ´Historia von D. Johann Fausten. Dem weitbeschreyten Zauberer und Schwarzkunstler´. Hierin is Faust een geleerde die een verbond sluit met de duivel. Het einde van Faust beschrijft hij als volgt:

`Het gebeurde tussen twaalf en een uur ´s nachts dat het huis door een grote woeste windvlaag werd omgeven. Hij was zo hevig dat het leek alsof alles vernietigd zou worden en het huis met de vlakte gelijk gemaakt zou worden. De studenten die in het huis woonden, sprongen uit hun bedden en klampten zich aan elkaar vast. Ze durfden niet uit hun kamer te komen. De huisbaas vluchtte het huis uit naar een ander huis. De studenten woonden vlak bij de kamer waar dokter Faustus woonde. Ze hoorden een gruwelijk gefluit en gesis alsof het huis vol zat met slangen, adders en andere schadelijke wormen. Intussen hoorden ze de deur van Fausts kamer opengaan. Ze hoorden hem met verstikte stem moord en brand schreeuwen. Daarna hoorden ze hem niet meer. Toen het dag werd en de studenten de hele nacht niet hadden geslapen, gingen ze naar de kamer van Dokter Faustus. Maar ze zagen Faustus niet. Ze zagen alleen de muren onder de bloedspatten zitten. Hersenen kleefden aan de muur, omdat de duivel hem van de ene muur naar de andere had geslagen. Ook zijn ogen lagen er nog en een paar tanden. Het zag er verschrikkelijk uit. Toen begonnen de studenten hem te beklagen en te bewenen. Ze zochten zijn lichaam overal. Uiteindelijk vonden ze hem buiten op de mesthoop. Zijn lichaam bood een gruwelijke aanblik, want zijn hoofd en zijn ledematen waren van zijn romp getrokken.´Het volksbuch van Dr. Faust is een waarschuwing voor menselijke overmoed en hoogmoed. Achter de waarschuwing zitten natuurlijk het plezier en een heimelijke bewondering voor Faust. Het boek is dus ook amusementsliteratuur.
Het was een enorm succes, het moet een hype zijn geweest, een ongelofelijk aantal ervan zijn verkocht. Maar het was dan ook geschreven vanuit een onverwoestbaar concept, een concept dat al vanaf de Grieken heel goed werkt: de combinatie van snoepgoed en de zweep. Het snoepgoed in het boek zijn de streken, de reizen, de hoogtevluchten, de toverkunsten, de avonturen, de wraakacties en de erotische escapades van Faust en Mephisto. Dus al die dingen die stiekem jalousie en bewondering opriepen. Aan de andere kant was er de zweep: het voorwoord en het nawoord bevat kerkelijke waarschuwingen. In het nawoord staat bijvoorbeeld: “Hiervan moet elk christenmens leren/ vooral zij die hoogmoedig, trots, arrogant en koppig van karakter zijn/ zij moeten door dit voorbeeld leren/ God te gehoorzamen/ en tovenarij, geestesbezwering en dat soort duivelswerk te vermijden/ want God heeft dit ernstig verboden/ De duivel mag nooit uitgenodigd of binnengelaten worden/ zoals Faust heeft gedaan/ Want dan eindigt het net zo verschrikkelijk als ons zojuist is gepresenteerd/ Men mag alleen van God houden/ alleen God voor ogen hebben/ alleen Hem aanbidden/ dienen en liefhebben/ van ganser harte en met heel de ziel/ en met alle kracht/ en de duivel en zijn aanhang moet men verdrijven/ en met Christus moet men eindelijk voor eeuwig zalig worden. Amen/ Amen/ Dat wens ik iedereen vanuit de grond van mijn hart/ AMEN”

- De volksdichter Hans Sachs uit Nurnberg maakte in de 16e eeuw maakte van de Fauststof uit het Volksbuch een beroemde carnavalskomedie.

- Als poppenspel werd ´Faust´ ook in Engeland opgevoerd. Daar werd het verhaal opgepikt door een serieuze toneelschrijver: Christopher Marlowe (1564 – 1593). Die maakt van het verhaal een hoogstaande literaire toneelbewerking in blankvers en van de vrome waarschuwingen hemelse koorzangen. Hij reduceert vooral de grappen en in plaats van de uitvinder introduceert hij Faust als de serieuze geleerde. Hij geeft hem in het begin een vertwijfelde monoloog mee die met die van Faust in Goethe’s ‘Faust I’ vergelijkbaar is. Hij laat Faust een verbond met de duivel sluiten: In ruil voor 24 jaar alles doen en krijgen wat zijn hart begeert, geeft Faust zijn ziel als onderpand aan de duivel. Na die 24 jaar komt zijn ziel in het bezit van de duivel. En geen honderdduizend jaar branden in de hel zullen hem uit de hel kunnen verlossen.

Marlowe was het die het verhaal uit de laat-Middeleeuwse Reformatie de Renaissance binnenbracht. De tragedie van Marlowe concentreert zich op de ondergang van Faust. Hij greep daarmee terug op de bijbelse zondeval en de gevallen engel Lucifer. Faust is bij Marlowe een man die te vroeg is gekomen en daarom tragisch mislukt. Hij is een wetenschapper die zich op verboden terrein begeeft. Op het einde, wanneer de tragische Faust aan zijn hellevaart begint, klaagt het koor over de ondergang van Faust.
Dit stuk werd met veel succes in Londen gespeeld en verscheen in 1604 voor het eerst in druk. Het heet: “The tragicall History of the Live and Death of Doctor Faustus.” Maar het vreemde was dat ramspoed de opvoeringen van dat toneelstuk in Engeland achtervolgde: Zonder aanwijsbare oorzaak brandden The Globe (het theater van Shakespeare op de South Bank in Londen) en nog een ander theater tot de grond toe af. In een derde theater verscheen de duivel zelf op het toneel. In Engeland was Faust in de tijd van Shakespeare en Marlowe een zeer populair personage. We vinden in ‘De Storm’ van Shakespeare in het personage van Prospero Faustiaanse trekken terug, hoewel Prospero geen verbond sluit met de duivel. Hoewel: het monster Caliban kan ook heel goed een groteske versie van de duivel zijn.

Op zijn laatst in juli 1597 brachten Engelse rondreizende toneelgezelschappen het stuk op het Europese vasteland en ook in Duitsland op jaarmarkten en kermissen op de planken. Er is bewijs dat het in juli 1597 in Strassburg is gespeeld door de Engelse theatergroep van Thomas Sackville.
Tot in de tijd van Goethe vormde de tragedie van Marlowe de ruggengraat van alle Duitse volkstoneelstukken en poppenspelen over Dokter Faustus. Het is het toneelstuk van Marlowe dat ervoor zorgt dat Faust en zijn thematiek de 16e en 17e eeuw doorkomen, zodat de draad in de 18e eeuw weer opgepakt kan worden.

III De achttiende eeuw (Rationalisme/Idealisme.)
Wat maken de twee beroemde Duitse schrijvers – Lessing en Goethe – van Faust in de achttiende eeuw, zo’n kleine drie eeuwen na de dood van de oorspronkelijke Faust?
Bij beiden toont Faust berouw en wordt hij door het ingrijpen van God hoogstpersoonlijk gered van de hel: Faust vecht in het begin tegen zijn onmacht, hij twijfelt over het verbond, maar blijft streven naar het onbereikbare. Hij sluit daartoe een verbond met Mephistofeles, hij raakt onder de indruk van de liefde van Gretchen die hij aanvankelijk alleen maar om haar schoonheid bewondert en lijkt zielsgelukkig. Totdat Mephisto hem bij haar komt weghalen. Maar uiteindelijk wordt hij toch uit zijn klauwen gered doordat hij inziet dat hij fout zat.

- Lessing:
Hoewel er alleen maar fragmenten en berichten over zijn plan voor een drama over Dokter Faustus in een burgerlijke stijl bekend zijn, heeft geen andere stof Lessing, de grote dramaturg en toneelvernieuwer uit Hamburg, zo bezig gehouden. Het is een mijlpaal in de verder ontwikkeling van het Faustthema: Lessing is de eerste auteur die expliciet partij opneemt voor de rampzalig naar absolute waarheid strevende Faust. Hij zegt over hem: ´God heeft het meest nobele streven van de mens - de nieuwsgierigheid naar de hoogste kennis - niet gegeven om hem voor eeuwig ongelukkig te maken.’
Helemaal in de geest van de Verlichting probeert Lessing het Faustmateriaal zo vorm te geven dat het verhaal gaat over het groeiende bewustzijn bij de burgerij van de individuele mens en zijn plaats in de wereld. Lessing wilde de burgers verlossen uit de begrenzingen van het geloof, hij wilde hen naar kennis leiden, naar wetenschap en waarheid, zelfbestemming en tolerantie.
Dit idee van de Verlichting (daarom heet die periode ook Verlichting) zien we in de plannen die Lessing met het Faustmateriaal had: Faust wil vooral twee dingen: hij vraagt Mephisto naar de waarheid en hij streeft naar kennis.
De waarheid
heeft betrekking op het idee van mens-zijn in de tijd van Lessing. Een van de belangrijkste vragen toentertijd was of de mens zelfstandig kon handelen of dat hij in een goddelijke wereldordening vastzit en bepaald wordt door de principes van het geloof. Daarom wil Faust de ‘hoogste’ of ‘laatste’ waarheden te weten komen. Die geven namelijk antwoord op deze vraag. In Lessings tijd is het zoeken van de waarheid op dit terrein nog steeds problematisch. Faust overschrijdt dus een grens.
Het ‘streven naar kennis’ komt voor een deel overeen met het zoeken naar waarheid. Maar kennis duidt hier eerder op kennis over de mens, over de natuur, over de wereld. Kennis dus die de mens van nut kan zijn. Lessing ging ervan uit dat des te meer men weet, des te hoger het niveau van het menselijk bestaan, des te beter de mens.
Dus: denken en kritisch beoordelen, het vragen naar waarheden en het vechten voor de hoogste weten wordt de zaak van Faust. Faust is bij Lessing de zuivere Verlichtingsmens.

- Goethe:
Als kind moet Goethe genoten hebben van het ‘Volksbuch’ van Johann Spiess, maar meer nog van de zo populaire poppenspelen over Faust en Mephisto. De zogenaamde ´Urfaust´ schreef hij al op 23jarige leeftijd.
Urfaust:

Goethe was in zijn jonge jaren lid van de zogeheten ´Sturm und Drang’-beweging, een schrijverscollectief dat de voorbode was van de latere Romantiek. Goethe en de andere schrijvers van deze beweging waren de eerste generatie die in het tijdperk van de Verlichting, van het rationalisme, was opgegroeid: ze hadden meer bewegingsvrijheid dan de voorgaande generaties; ze zuchtten niet meer zo onder de verstikkende macht van de Kerk, van die ene almachtige God. Er was geen vervolging wegens ketterij meer. Er waren nieuwe Europese filosofen, waaronder Jean Jacques Rousseau, die de lof van het individu bezongen. Vooral het gevoel – in tegenstelling tot het verstand van de Verlichting – werd belangrijk. Het individu werd een subjectief iemand, een natuurlijk iemand, met een eigen innerlijke gevoelswereld, die vaak lijnrecht tegen de maatschappelijke waarden en normen inging. (zie onze flower power generatie). In zijn autobiografie ‘Dichtung und Wahrheit’ vertelt Goethe hoe hij zijn eigen ‘Sturm und Drang’ overbracht op het personage Faust en hem tragisch liet eindigen: ‘Ook ik had me met allerlei vormen van kennis beziggehouden en was vroeg genoeg gewezen op de ijdelheid daarvan. Ook ik had in mijn leven van alles uitgeprobeerd op allerlei gebied, ook op het gebied van de liefde, en was steeds onbevredigder thuisgekomen.’

De ‘Sturm und Drang’- schrijvers schiepen een heel bepaald type held in hun werk: de titaan, met bovenmenselijke kracht, een genie, een absolute individualist die zijn eigen weg gaat. Hij is elitair, hij is avant-gardistisch en bovenmenselijk. Ook Gretchen krijgt een rol in het vernieuwde Faustverhaal: zij vertegenwoordigt de lijdensgeschiedenis van de vrouw in de tijd van de Verlichting, want Gretchen wordt het verboden om een individueel persoon te worden met eigen gevoelens die ze ook kan leven. Het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw als seksueel wezen wordt in de Faustverhalen van de ‘Sturm und Dranger’ aan de orde gesteld. Het verhaal van Gretchen in de ‘Urfaust’ van Goethe gaat terug op een ware gebeurtenis: In 1772 werd een dienstmeisje uit Frankfurt, Susanna Margareta Brandt, veroordeeld en onthoofd wegens de moord op haar eigen kind. In de protocollen van haar verhoor staat: de duivel heeft haar verblind, het was een idee van de duivel om haar kind te vermoorden. Voor Goethe was Gretchen het offer van een heksenproces.

Zijn vrienden uit de ‘Sturm und Drang’- beweging schreven ook over Faust. Bijvoorbeeld Friedrich Muller, Maler Muller genoemd. Deze publiceerde in 1778 ´zijn stuk ‘Fausts Leben´.
Het Faustpersonage verandert bij hem in het prototype titaan, een genie, ‘een kerel die zijn hele kracht voelt´. Faust streeft bij Maler Muller naar rijkdom en maatschappelijke onafhankelijkheid. Dat drijft hem in de klauwen van het Kwaad.
Ook in de filosofische roman ‘Faust Leben Taten und Hollenfahrt´ van Friedrich Maximilian Klinger, een andere jeugdvriend van Goethe, is Faust een kerel met ongekende kracht. Hier sluit Faust, als uitvinder van de boekdrukkunst, het verbond met de duivel om vervolgens met bovenmenselijke kracht de onderdrukking en de onrechtvaardigheid in de wereld te lijf te gaan. Helaas tevergeefs. Faust wordt krankzinnig en aan de duivel uitgeleverd.

In de ‘Urfaust’ van Goethe is het de wens van Faust om zijn grenzen te overschrijden en aanspraak te maken op een leven vol erotiek en rijkdom ( zie de duivelslitanie: ‘Von Gold und Schwanz/Von Gold und Schoos’). De grens overschrijden betekent de grens van de burgerlijke orde overschrijden. Maar Goethe laat tegelijkertijd ook zien dat alle pogingen van Faust om die grenzen te overschrijden ten koste gaan van anderen. Faust is voortdurend verwikkeld in een strijd tussen het uitleven van zijn driften en zijn verstand dat hem remt. Mephisto is in staat zijn verstand zo te manipuleren dat het redenen krijgt om zijn driften te volgen. Gretchen is het slachtoffer: zij heeft enerzijds de wens om haar driften te volgen, maar heeft geen duivelse hulp en wordt daarom gestraft door de burgerlijke samenleving met haar strenge wetten. Zij kan niet over die grenzen heen.

Goethe heeft zich zijn hele leven beziggehouden met het Faustmateriaal. Hij was 60 toen hij ‘Faust – der Tragodie erster Teil´ publiceerde. ´Faust II´ publiceerde hij toen hij 82 was.