Faust en geld

FAUST EN GELD

Groter gemak dan goud en zilver
Geeft dit papier. Het weegt niets.
Het laat zich makkelijk bewaren, in broekzak,
Of in boek. Soldaten zijn sneller,
Omdat geen gewicht hen meer belast.
Het zijn maar praktische details, natuurlijk,
Maar het voordeel staat wel degelijk vast.
En wil men toch metaal, dan kan men wisselen.
Dreigt een tekort, dan is ’t een kwestie van graven -
En het papiergeld is opnieuw gedekt.

In het begin van Faust II introduceert Mefistofeles het papiergeld aan het keizerlijke hof. Goethe toont vervolgens wat de gevolgen van de introductie van het papiergeld voor de economie zijn. Aan het eind van Faust II opereert Faust als een moderne, globaal denkende ondernemer wiens schepen de wereldzeeën bevaren. Ze halen grondstoffen en goederen daar vandaan waar ze het goedkoopst zijn en brengen die naar plekken waar ze het meest opbrengen.

VOC-mentaliteit
Het ontstaan van papiergeld creëerde vanaf de vijftiende eeuw, met name in Italië en de Nederlanden, een burgermaatschappij van kooplieden en ondernemers die door het gemak van deze geldsoort grootscheepse investeringen in schepen en pakhuizen konden doen. Zo werd de handel gestimuleerd (en trouwens ook de piraterij! In Faust wordt gesproken van de drieslag oorlog handel en piraterij. Want ook oorlog en piraterij waren poten onder onze befaamde VOC-mentaliteit. Veel van de Europese rijkdom werd vergaard door roof en slavernij. Beide waren goedkope, bijna gratis manieren om je productiviteit en je opbrengsten te verhogen.)

Papiergeld vergemakkelijkte namelijk de handel op een opzienbarende wijze. Papier bedierf niet (zoals veel goederen die zonder de bemiddeling van geld of goud gewoon met elkaar geruild werden) en was makkelijk te vervoeren (in tegenstelling tot zilver en goud). Na verloop van tijd emancipeerde het papiergeld tot een volwaardig ruilmiddel. Het vertouwen in het papiergeld (tegenwoordig ook giraal en virtueel geld) nam zo’n hoge vlucht nemen, dat het papiertje en het goud waarmee het papiertje gedekt is, in een steeds lossere relatie tot elkaar kwamen te staan. Een relatie die bijna helemaal verdwijnt na afschaffing van de Gouden Standaard, waardoor geld tegenwoordig niet langer gekoppeld is aan de waarde van het goud. Goethe toont in Faust II dat papiergeld de hoge vlucht van de economie mogelijk maakte en een dito groei van de welvaart. In onze tijd is economische groei allang de enig verbindende maatstaf voor de ontwikkeling van de mensheid.

Eeuwige jeugd
Goethe waarschuwt wel voor een al te eenzijdig geloof in het heil van papiergeld. Hij laat zien dat er niets vanzelfsprekends aan is. Iets wat tweehonderd jaar later vergeten lijkt, maar waaraan hardhandig herinnerd wordt door de kredietcrisis van 2008, wanneer het betalingsverkeer door een meltdown van het vertrouwen bijna tot stilstand dreigt te komen en er in een paar uur tijd duizenden miljarden euro’s verdampen. De rekening wordt aan de burgers nu gepresenteerd in de vorm van draconische bezuinigingen.

In de aanloop naar deze crisis was het vertrouwen in geld tot ongekende hoogten gestegen. Geld werd niet langer als (ruil-)middel beschouwd, maar als een doel op zich. Op een gegeven moment was men in de VS zelfs niet kredietwaardig wanneer men geen schulden had – men kreeg gewoon geen kredietkaart.
Mensen staken zichzelf diep in de schulden om allerlei verleidelijks te kunnen kopen, huizen, nieuwe keukens, vakanties; ook die belofte van de eeuwige jeugd door de magische elixirs van de moderne alchemisten, de famaceutische industrie met haar crèmes, botox en plastische chirurgie kon worden ingelost.

De menselijke begeerte naar spullen, die echt iets anders is dan de menselijke jacht naar geluk, werd maar al te graag aangewakkerd door het bedrijfsleven. Burgers werden in deze jaren meer en meer consumenten en ‘ontdekten’ behoeften waar ze tot dan toe geen weet van hadden. Om dat alles te bekostigen werd er geleend. Massaal werd er een voorschot op de toekomst genomen, de bomen leken tot in de hemel te groeien, het vertrouwen in het geld was absoluut. Een duizelingwekkende geldcreatie was het gevolg. De financiële sector kon met ongekende snelheid groeien. IJsland met zijn 300.000 inwoners bezat drie (!) grote banken die overal in Europa hun leningen uitzetten. En alleen al op de balans van de Royal Bank of Schotland stond bijna net zoveel als het bruto nationaal product van Groot-Britannië. Geld werd meer dan ooit een fetisj van het moderne leven - de Quote 500 en een perverse bonuscultuur getuigen daarvan.

Kind van de rekening
De introductie van het papiergeld heeft de wereld (ook in fysieke zin) onherkenbaar veranderd. Een ingenieus, steeds verfijnder bancair stelsel van lenen en sparen stelt de mens in staat zich ook te verzekeren tegen toekomstige rampspoed en om investeringen te doen die (in diezelfde toekomst) pas werkelijk iets op zouden leveren. Met geld koop je tijd, je maakt nu schuld om die te investeren in zaken waar je later aan hoopt te gaan verdienen. Er is echter een maar: wil het papiergeld zijn afgesproken waarde niet onmiddellijk verliezen, dan moet het zich zo snel mogelijk hechten aan materie. Goethe zag duidelijk dat geldcreatie uit het niets op den duur – ook al versnelt ze de handel – tot inflatie leidt en uiteindelijk tot de weigering nog langer papiergeld te accepteren. Geld krijgt pas echt waarde wanneer het productief wordt ingezet.

Dus geld is voortdurend op zoek naar waarde, of beter: roept ons op tot voortdurende reële waardeschepping. Maar een voordurende groei van waardeschepping door middel van arbeid kent zijn (menselijke) grenzen. Als er een ding is dat Goethe in Faust duidelijk laat zien, dan is dat dat geld een bedreiging vormt voor zijn o zo geliefde natuur. Die dreigt het kind van de rekening te worden en is dat (in onze tijd) ook inmiddels geworden. Goethe vertelt in Faust hoe we waarde scheppen door ons de natuur, die daar gratis voor niks ligt, toe te eigenen. Dat gebeurt in het vijfde bedrijf van het tweede deel door diezelfde Faust, die in het voorafgaande meerdere malen de schoonheid van de natuur heeft bezongen - uiteindelijk wil ook hij de natuur ten gelde maken.

Eb en vloed – ’t gaat maar door
En ’t leidt tot niets. Zout en onvruchtbaar,
Schept de zee niets anders dan onvruchtbaarheid.
Wat een ongehoorde krachtverspilling.
Daar wil ik wat aan doen. En dat is mogelijk!
Want hoe sterk de zee ook is,
Elke heuvel is voor haar een hindernis.
De kleinste hoogte houdt haar tegen,
De minste diepte trekt haar aan.
Ik wil de zee het land afhandig maken.
Haar terugdringen, insnoeren, ommuren,
Voor mij opeisen haar zoute vloeren,
En die exploiteren, stap voor stap.

Het land dat we ons, vaak met geweld, toeëigenen wordt niet langer alleen maar beheerd. En als landbouwgrond naar de wetten van de seizoenen zo gebruikt dat het zich altijd weer kon herstellen. In onze moderne economie is gebruik van de grond verbruik geworden. In de voor-moderne tijd erfden de mensen het land van hun vaders, aten er tijdens hun leven van en lieten het zo ongeschonden mogelijk voor hun kinderen achter, de moderne mens is door allerlei technologische innovaties (mogelijk gemaakt door investeringen die door de nieuwe geldeconomie worden gefaciliteerd) in staat om als een sprinkhanenplaag grond af te grazen en bovendien alles wat er in de grond zit aan grondstoffen naar boven te halen en zo uiteindelijk het land (en de zee) uit te putten. Onze moderne economie kan vooral zo groeien door de goedkope beschikbaarheid van olie die binnen niet al te lange tijd op zal zijn; door de vervuiling van het milieu waar we niet voor de schoonmaakkosten willen betalen; door overbevissing van de zeeën die op veel plekken al leeggevist zijn; door opwarming van de aarde die volgens velen een onomkeerbare dynamiek heeft gecreëerd in de stijging van de waterspiegel en zo voort en zo voort.

Magistraal visoen
In Faust II waarschuwt Goethe ons al voor deze exploitatie van de aarde. Op poëtische wijze stelt Mefistofeles in de vijfde akte dat de reep zee die door Faust drooggelegd wordt en waar hij zijn eigen rijk sticht, eens weer haar rechten zal opeisen. Dat de dammen niet voor altijd de zee zullen tegenhouden. Maar Faust slaat deze waarschuwing in de wind. Vlak voor zijn dood heeft hij een magistraal visoen. Hij ziet voor zich hoe zijn onderdanen die nu nog in knechtschap leven, eens als vrije mensen op vrije bodem zullen leven. Faust ziet een nieuwe wereld dagen, maar o ironie, hij is op dat moment letterlijk blind geworden. Zo geeft Goethe uiting aan zijn twijfel over de waarde van dat visoen.

Goethe zag ook in de toekomst, maar was minder positief. Hij zag een wereld bevolkt door een nieuwe mensensoort, de massamens. Deze nieuwe mens zou de Europese metropolen (ook zo’n nieuw fenomeen) gaan bevolken, voor hem moest werk gecreëerd worden, anders zou hij in opstand komen. Goethe was in tegenstelling tot Faust bang voor het gewelddadige potentieel van wat later door Karl Marx het proletariaat zou worden genoemd. Als tijdgenoot was Goethe getuige geweest van de ongelooflijke geweldsuitbarsting van de Franse revolutie. Horden ongeletterden waren opgehitst door een nieuwe generatie politieke idealisten en nihilisten, die gebruik maakten van de meest lage driften in de mens als agressie, hebzucht en gierigheid. Zij hadden een tot dan toe onwrikbaar geachte en goddelijk geïnspireerde staatsorde omver weten te werpen en vervolgens in heel Europa dood en verderf gezaaid in de napoleontische oorlogen. Goethe suggereert tevens wat hij voorziet dat er nog staat te gebeuren in de periode na hem, die wij inmiddels hebben geboekstaafd als de Industriële Revolutie. Heel bijzonder hoe Goethe, die aan het begin van die revolutie stond, voorvoelde wat de ingebruikneming van de stoommachine voor ingrijpende maatschappelijke, landschappelijke en zeker ook metafysische veranderingen zal brengen: de mens zal zich meer dan ooit als god manifesteren, zijn concurrent in de schepping.

De mens centraal
Indien de Faust een reis is, dan wordt er een weg afgelegd van een in zichzelf gekeerde wereld waar Gods dubieuze zegen op rust, naar een goddeloze wereld die zich naar alle kanten opent en waarin de mens zelf centraal staat. Het is een weg van een wereld die geworteld is in de geschiedenis naar een wereld die zich (gedicteerd door de wetten van de economie) exclusief richt op de toekomst.

Karim Ameur