|
|
|
FAUST EN DE LUST In mijn borst wonen, ach, twee zielen, De ene wil zich van de andere scheiden. De ene hecht zich gretig aan de lust en Aan de zinnelijkheid van deze aarde. De ander tilt zich moeizaam uit het stof, Op zoek naar meer verheven waarden. Over Goethes seksuele leven bestaan veel, vaak tegenstrijdige, getuigenissen (ook van hemzelf) en overgeleverde geruchten. Vaak beschreven zijn de vroegtijdig verbroken relaties en/of verlovingen met lieftallige meisjes van heel wat nobeler komaf dan de eenvoudige Gretchen, zoals alleen al hun namen onthullen: Friederike Brion, Lili Schönemann. Er is zelfs sprake van een mogelijke intieme relatie met zijn dienaar Philippe Seidelmann, met wie hij in ieder geval het bed deelt in zijn tuinhuis even buiten Weimar. Maar er zijn ook talloze speculaties dat al die relaties niet geconsumeerd werden (mogelijk uit angst voor seksueel overdraagbare ziekten) en dat hij pas na zijn veertigste tijdens zijn fameuze twee jaar durende reis door Italië ontmaagd zou zijn. Dat hij daarna de smaak te pakken heeft gekregen, getuigen de bewaarde rekeningen van de vele reparaties aan zijn bed. De relatie met zijn vrouw Christiane Vulpius was gezond en zinnelijk. Haar erotische aantrekkingskracht was groot en Goethe trotseerde voor haar de afkeuring van het hof, dat deze vrouw van te lage komaf, een minister als Goethe onwaardig vond. Als 70-jarige weduwnaar wordt hij nog een keer head over heels verliefd op Ulrike von Levetzow, een zeventienjarige schoonheid die door een radeloze en redeloze Goethe ten huwelijk wordt gevraagd. Tevergeefs, maar hij schaamt zich er niet voor zijn versmade begeerte te bezingen in een van zijn mooiste dichtcycli, de Marienbader Elegien. Kind noch kraai Waar in deel I de verleiding van de mens plaatsvindt door middel van lust, gebeurt dat in het tweede deel met geld. De seksualiteit is voor Faust een belangrijke drijfveer. Het is een van die elementen die hij in zijn leven verwaarloosd heeft. Hij heeft misschien in de wetenschap de top bereikt, maar in zijn privéleven heeft hij zich niet ontwikkeld. Hij heeft kind noch kraai. Een gezin heeft hij niet gesticht en ook emotioneel en maatschappelijk heeft hij zich niet ontwikkeld. Zijn gevoelsleven is armoedig, tot macht en rijkdom is hij niet gekomen. Daar zal Mefistofeles verandering in brengen. Allereerst krijgt Faust een verjongingskuur, zodat hij weer lichamelijk vitaal wordt en aantrekkelijk voor vrouwen. En ook al suggereert Goethe bij monde van Faust dat seksualiteit een minderwaardige, onbeschaafde drift is, zij is wel degelijk een niets ontziende kracht én realiteit. En voor de realiteit van de natuur, dus ook de menselijke natuur, nam Goethe altijd zijn hoed af. Die bracht hij in al zijn werk in kaart, zowel in haar scheppende als destructieve gedaante. Lolita Mefistofeles bevrijdt Faust uit zijn existentiële isolement, sleept hem mee de kerker van zijn studeerkamer uit; samen trekken ze de wereld in. Hij gaat eindelijk het leven ervaren. De Italiaanse schrijver Baricco beschrijft het grote belang van het ervaren als volgt: “Mensen leven en voor hen wordt de zuurstof die garandeert dat ze niet dood zijn, gegeven door het ‘ opdoen van ervaringen’. Als eerste zal de middelbare Faust seksueel ontwaken. Hij vindt de minderjarige Greetje als een Lolita op zijn weg. En daarmee maakt Goethe ons getuige van een van de meest aangrijpende liefdesgeschiedenissen uit de theaterliteratuur. Faust laaft zich aan haar jeugd, maar zijn aanvankelijk overzichtelijke lustgevoelens worden gecompliceerd door gevoelens van liefde en genegenheid die hij voor Gretchen opvat. Stiekem breekt hij met Mefistofeles bij haar in. In haar lege meisjeskamertje wordt hij door verwarring overmand: (Faust kijkt om zich heen) Welkom, zoete avondschijn Die dit heiligdom doorweeft. Dring in mijn hart, zoete liefdespijn, Hoop is de dauw waarvan verlangen leeft. Wat ademt hier een sfeer van vrede, Van orde, van tevredenheid. Wat een sobere voornaamheid Wat een bevangen heerlijkheid. (Faust gaat naar haar bed) Hier heeft zij gelegen! Het warme leven heeft hier Haar zachte borst gestreeld. Maar ik! Wat is precies mijn doel? Wat wil ik hier? Waarom zo in de war? Armzalige Faust! Ik ken mezelf niet meer. Ik wilde lust, en droom ik nu van liefde? In welk spel ben ik een pion? Vier doden Het spirituele verlangen naar Gretchen wordt net zo belangrijk als zijn lichamelijke begeerte - sterker, gaat deze in de weg staan. Het zijn voor Faust niet te verenigen grootheden. Uiteindelijke vlucht hij voor de Irrungen und Wirrungen van Eros. En Gretchen?... die laat hij vernietigd achter. En hij komt er nog mee weg ook. Hij wordt juridisch niet aansprakelijk gesteld voor de doden die aan het einde van Faust I te betreuren zijn, terwijl hij toch de moordenaar is van Gretchens broer Valentin en de leverancier van het gif dat haar moeder heeft gedood. Maar niet alleen juridisch laat Goethe hem ontsnappen. In de overgang van I (dat eindigt met de dood van Gretchen) naar II (als Faust wakker wordt uit een diepe, dromeloze slaap) lijkt hij geslagen met vergetelheid. Zo laat Goethe zijn overgave aan de lust, voor het moment, onbestraft. Hij is kennelijk nog niet genoeg van het juiste levenspad geraakt, zijn geweten is nog niet voldoende aangetast. De weddenschap tussen God en de duivel is kennelijk nog niet beslist. Huisje-boompje-beestje Aan het einde van Faust I toont Faust iets van berouw, de tweede ronde kan beginnen. Maar in zijn weg naar de maatschappelijke top, zal hij seksueel een veer moeten laten. In een droomsequens vindt hij eindelijk de Griekse Helena - de Spartaanse prinses die de aanleiding zou zijn geweest voor de Trojaanse oorlog - de Helena waarover Goethe’s voorganger Christopher Marlowe in zijn Doctor Faustus spreekt als “the face that launced a thousand ships”, het zinnebeeld in de (kunst-)geschiedenis van vrouwelijkheid, schoonheid en onbetrouwbaarheid, kortom: het toppunt van zinnelijkheid. Maar met haar zal zich geen explosieve amour fou ontwikkelen. Bijna het tegendeel, de twee gaan heel genoeglijk samenwonen en stichten een gezinnetje. De leeuw is getemd, de lust lijkt uitgeblust. Wij zijn in Faust II getuige van een man die meer en meer maatschappelijk aanzien weet te verwerven, maar die moreel uitgehold raakt. Die zijn zinnelijkheid, zijn capaciteit tot het genieten van de schoonheid van vrouwen en van de natuur, heeft moeten inleveren. Die de wereld eindelijk heeft durft te betreden, maar er minder oog voor heeft dan ooit. En die onverschillig wordt voor het lijden van anderen – een lijden dat hij hen op zijn weg naar de top zelf aandoet. Karim Ameur |