Biografie Goethe

Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832)
Januari 1832, twee maanden voor zijn dood, opent Johann Wolfgang von Goethe het inmiddels voor de nalatenschap verzegelde manuscript van zijn zopas voltooide Faust II. De tweeëntachtigjarige wil toch nog aan wat scènes werken. Het is bijna niet te geloven dat deze geweldenaar op zo’n hoge leeftijd een zo complex werk als Faust II ter hand heeft genomen. Een magistraal ouderdomswerk van een auteur die in de loop van zijn leven de regels van zijn kunst tot in de puntjes was gaan beheersen, die een geheel eigen stijl had ontwikkeld, maar die in deze laatste gooi naar onsterfelijkheid (het thema van zijn Faust) alle regels en conventies overboord gooit en een heerlijk bandeloos en grenzeloos werk schrijft. Een toneelstuk dat met zijn vijf bedrijven de suggestie van een klassiek drama oproept, maar geen van de classicistische eenheden van tijd, plaats en handeling erkent. Waarin de twee hoofdpersonages, Faust en Mefistofeles, hele periodes uit het zicht raken. En waarvoor, alsof het een experimentele, postmoderne metatekst was, naar hartenlust werd geroofd uit de wereldliteratuur en de beeldcanon van de kunstgeschiedenis. Een overweldigende parade van historische, literaire en mythologische personages was het resultaat.

Status quo
Het lijden van de jonge Werther (1774) had een jonge Goethe in één klap beroemd gemaakt. Met deze heftige gevoelsroman over de jongeman Werther, wiens liefde niet beantwoord wordt door de getrouwde Charlotte en die daarom zelfmoord pleegt, gaf Goethe stem aan een generatie jongeren die zich afzette tegen de bestaande politieke en literaire stilstand in het Duitstalige grondgebied.
Ze liepen te hoop tegen de politieke status quo in een Duitsland dat in tegenstelling tot de omringende landen geen politieke eenheid kende; tegen de idealen van de Franse Verlichting, waarin alle heil van een beter gebruik van het verstand werd verwacht, dat een dam op moest werpen tegen de verraderlijkheid van het gevoel; tegen het eveneens Franse classicisme met zijn rigide kunstopvatting en nauwgezette regels.

Blauwe jas, geel vest
De plotselinge roem heeft Goethe altijd als dubieus ervaren. Hij vindt de roman niet goed begrepen. Er ontwikkelt zich een doodscultus rondom de figuur van Werther. Zijn zelfgekozen dood vindt navolging in de werkelijkheid en ook Werthers kleding (blauwe jas, geel vest) wordt mode. In hun exaltatie hebben de fans over de boodschap heen gelezen, vindt Goethe, want hij eindigt de roman toch niet met de dood van Werther: de lezers krijgen na diens suïcide toch zeker nog zicht op het gelukkige huwelijk van Charlotte en Albert. Naar zo’n gelukkige situatie had het lijden van Werther zich misschien ook kunnen ontwikkelen, als hij niet de gevangene van zijn emoties was geweest. Goed, Goethe vond gevoelens belangrijk en tot dan toe onderschat in de literatuur, maar anders dan zijn volgelingen en collega-schrijvers in de Sturm und Drang –tijd verheerlijkt hij ze niet. Emoties zijn geen doel op zich, maar instrumenten die uitzicht bieden op zelfkennis. Je moet je gevoelens zo leren kennen, zo zien te gebruiken, en uiteindelijk beheersen, dat ze het inzicht in jezelf vergroten en je weer een stap verder komt in het noodzakelijke, continue proces van kennisverwerving over jezelf en de wereld.

Autocratisch
Het lijden van de jonge Werther is het boek dat de hertog van Weimar, Karel August, op Goethe attent maakt. De hertog en zijn moeder Anna Amalia hebben grootse plannen met het hertogdom en zij zien voor de spraakmakende, briljante schrijver een belangrijke plaats weggelegd. Goethe lijkt het wel wat, om ook politieke verantwoordelijkheid te dragen. En anders dan in de stadstaat Frankfurt waar hij vandaan komt en waar de politiek zich kenmerkt door een ondoorzichtige bestuurscultuur van voortdurend overleg, kliekvorming en achterkamertjespolitiek, is Weimar een autocratisch geregeerd vorstendom waarin de hertog en zijn adviseurs volledige zeggenschap hebben over het beleid. Wel zo overzichtelijk.
In Weimar krijgt Goethe behalve de leiding over het theater en de bibliotheek ook de verantwoordelijkheid voor het wegennet, het leger en de mijnen. Het is tekenend voor hem dat hij geen minachting voelt voor burgerlijk geachte ambities zoals het stichten van een gezin, het verdienen van geld en het nemen van politieke verantwoordelijkheid - kortom: het uitoefenen van macht. Integendeel, met overgave stort hij zich op het ministerschap, ervan overtuigd dat het zijn literaire werk alleen maar ten goede komt.
De ervaringen, dilemma’s en inzichten die hij in de dagelijkse praktijk van het staatsambt opdoet, verwerkt hij in de literatuur. Zijn schrijverschap stelt hem in staat een gevoeliger staatsfunctionaris te zijn. Goethe is geen aanhanger van het idee van de autonome, ongebonden kunstenaar, hij kijkt niet neer op het bekleden van politieke macht en verantwoordelijkheid.

Openbaring
Toch is hij na tien jaar uitgeput. Van de ene dag op de andere ontvlucht hij Weimar. Naar Italië. Eindelijk. Daar wordt hij voor de tweede maal geboren. De fysieke kennismaking met de Klassieke Oudheid en de Renaissance is een openbaring voor hem. Tot dan had het Zuiden hem een kille rationele wereld geleken. Nu ontdekt hij, wandelend door de klassieke ruïnes en de villa’s van Palladio en oog en oog staand met de schilderijen van Rafael, een perfect geproportioneerde wereld, waarin de menselijke maat centraal staat; een wereld ook die op het hier en nu gericht is, die het ‘alledaagse’ viert, in tegenstelling tot de zwaarmoedige christelijke kunst uit het Noorden, die zich smartelijk afkeert van het heden en zich geëxalteerd richt op het leven in het hiernamaals. Hij vindt in Italië zijn vaderland: Duitsland. Want pas in het zuiden verzoent hij zich ermee een Duits schrijver te zijn.

Ongebreideld geweld
Wanneer hij na anderhalf jaar terugkeert naar Weimar en zijn ambt aan het hertogelijk hof weer inneemt alsof er niets gebeurd is, is zijn literaire werk voor altijd veranderd. Een klassiek stijlgevoel, nooit rigide of kil, is nu geïntegreerd in zijn heftige noordse gemoed, tempert het ook. En zoals hij eens putte voor zijn werk uit de door hem zo geliefde middeleeuwse Duitse geschiedenis en zo aan dit tijdperk in retrospect ook vorm gaf, zo annexeert hij nu de Italiaanse Renaissance en de Griekse oudheid als twee andere kraamkamers van zijn kunst.
De rust en overzichtelijkheid van de Klassieke Oudheid bieden ook het nodige tegenwicht aan het ongebreidelde geweld dat Europa deze jaren overspoelt door toedoen van de Franse Revolutie en de daaropvolgende Napoleontische oorlogen. Goethe verafschuwt de nieuwe generatie politieke idealisten en nihilisten die de onbeheersbare en onbeheerste massa ongeletterden voor hun oorlogszuchtige kar spant door gebruik te maken van de meest lage driften in de mens: agressie, hebzucht en gierigheid. Vanaf deze jaren zit de angst voor de nieuwe massamens diep bij Goethe, het revolutionaire elan uit zijn jeugd is voorgoed verdwenen.

Inneres Märchen
Maar in Weimar wacht hem deze jaren ook de belangrijkste vriendschap uit zijn leven, misschien wel de belangrijkste vriendschap uit de geschiedenis van de wereldliteratuur, die met Schiller. Twaalf jaar trekken de twee met elkaar op, richten literaire tijdschriften op, helpen elkaar met hun werk. Schillers rol bij de totstandkoming van Faust is niet te onderschatten. Schiller stimuleert Goethe de Faust-stof weer op te pakken die hij twintig jaar eerder onafgemaakt had weggelegd.
De Faust wordt nu metafysisch opgetuigd, met o.a. de Proloog in de hemel, waarin God levend wordt opgevoerd. Het toneelstuk krijgt nu in de beproeving van Faust door God en de duivel een existentiële inzet: Zijn wij mensen van nature morele wezens? Of is ons geweten, deze menselijke gave om goed van kwaad te onderscheiden, een instrument dat bij voortduring onderhoud behoeft, en is ze bij verwaarlozing verloren?
In 1803 voltooit Goethe het eerste deel van Faust. Hij maakt met Schiller ook een grondplan voor het tweede deel. Of het veel te jonge sterven van zijn vriend in 1806 er iets mee te maken heeft, kan niet met zekerheid gezegd worden, maar het zal nog twintig jaar duren voordat Goethe zich aan het schrijven van het tweede deel zet. Pas in 1825 neemt hij, inmiddels 75 jaar oud, het vervolg op Faust I ter hand – al die jaren heeft hij het, naar eigen zeggen, als een inneres Märchen met zich mee gedragen.

Karim Ameur